Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 47 W. v. STR. Zie H. R. 14 Februari 1916, No. 6.

43 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 28 Februari 1921.

Artt. 47, 310 W. v. Str.

De meester, die tegenover zijn ondergeschikte en binnen de grenzen dier ondergeschiktheid opzettelijk zijn gezag aldus aanwendt, dat door dezen een strafbaar feit wordt gepleegd, lokt dat feit uit door misbruik van gezag.

K. T. is requirant van cassatie tegen een te zijnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, van 24 Nov. 1920, waarbij in hooger beroep, met vernietiging van een vrijsprekend vonnis der Arrond.-Rechtbank te Rotterdam, op 6 Nov. 1919, in deze zaak gewezen, de requirant werd schuldig verklaard aan: „het door misbruik van gezag opzettelijk uitlokken van diefstal door twee of meer vereenigde personen, meermalen gepleegd", en, met toepassing van de artt. 310, 311, 47, 57, 14a en 146 Strafr., veroordeeld.

De adv.-gen. Besier heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

Bij het bestreden arrest is bewezen verklaard, dat op verschillende tijdstippen in Jan. 1919, te Rotterdam, de in dienst van beklaagde zijnde kellners T. W. G. S. en J. B., te zamen en in vereeniging met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen eene hoeveelheid cokes, toebehoorende aan P. M. S., hebbende beklaagde, door aan voornoemde S. en B. ten tijde en ter plaatse voornoemd opzettelijk tot den diefstal den last te geven, opzettelijk door misbruik van gezag dien diefstal uitgelokt. Onder oogmerk van toeëigening moet hier blijkbaar verstaan worden het oogmerk zich toe te eigenen; dit werkwoord wordt in het Nederlandsch niet anders dan wederkeerend gebezigd.

Als derde en laatste middel is aangevoerd:

„Schending, althans verkeerde toepassing van art. 47, sub 2°, junctis