Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevaar had kunnen teweegbrengen, hen straft als mededaders zonder te onderzoeken of zij rechtstreeks of bewust hebben samengewefkt."

Ook hiermede kan ik mij niet vereenigen. Ik stel voorop, dat ook bij schuldmisdrijven mededaderschap kan bestaan. Juist ook met het oog hierop is in het O. R. O. van het Wb. v. Strafr. art. 57, dat als daders van een strafbaar feit o.a. hen aanmerkte, die opzettelijk tot plegen van het feit medewerkten, omgezet in de lezing van het tegenwoordige art. 47. Zie het Regeeringsantwoord op het Verslag van de Tweede Kamer bij Smidt, dl. I, blz. 437. In dit geval bestaat het mededaderschap natuurlijk niet in rechtstreeksche, bewuste samenwerking en naar het bestaan hiervan behoefde het Hof dus in dit geding in het bijzonder ten opzichte van den tweeden beklaagde ook geen onderzoek te doen. Voor het mededaderschap van ieder der beklaagden was het genoeg, dat hij door zijne onachtzaamheid, zich uitende in doen of in nalaten, het doen ontstaan van het gevaar mede had veroorzaakt. Dat ieders doen of nalaten op zich zelf dit gevaar niet zou hebben kunnen teweegbrengen, doet — zooals het Hof terecht besliste — niet af, wanneer maar, gelijk hier, het gevaar juist door de samenwerking der oorzaken, het doen of het nalaten, is ontstaan en dit doen of nalaten te wijten is geweest aan zoodanigen graad van onachtzaamheid, als voor schuldmisdrijf wordt vereischt.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Overwegende, dat bij het in zoover bij het bestreden arrest bevestigde vonnis ten laste van S. V., arbeider-rangeerder bij de Nederlandsche Spoorwegen, te Borne, als eerste beklaagde, en van dezen requirant, als tweede beklaagde, bewezen is verklaard: dat het aan hunne schuld te wijten is geweest, dat in den nacht van 30 op 31 Oct. 1920, te Borne, op het emplacement van het station aldaar, gevaar is ontstaan voor het verkeer door stoomvermogen over den spoorweg der Nederlandsche Spoorwegen, immers hebbende in strijd, met de geldende voorschriften en instructièn:

de eerste beklaagde, in den avond van 30 Oct. 1920, omstreeks 11 % uur, een paar wagens over de wissels 13 en 14 van spoor I op het doode spoor gebracht, na te voren met behulp van de twee sleutels der claussloten van die wissels dezelve kromspoor te hebben gemaakt, en daarna verzuimd gemelde wissels weer voor rechtspoor te stellen, de claussloten te sluiten en de sleutels in het daarvoor bestemde sleutelkastje in het stationsbureau aan te brengen;

de tweede beklaagde, als dienstdoende stationschef, in gemelden nacht omstreeks 1 uur, toen de goederentrein 4860 uit de richting Hengelo (O.) in aantocht was, nadat het hem niet gelukt was door middel van het bloktoestel aan den arbeider-rangeerder M. K., die in seinhuis III als