Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziet zich de Hooge Raad geplaatst voor eene vraag omtrent medeplichtigheid, en wel die van art. 48 sub 2°. Strafrecht.

Tegen het ontslag van rechtsvervolging, bij het door het beklaagde arrest bevestigde vonnis der laatstgenoemde Rechtbank uitgesproken, heeft de procureur-generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage vermeend te moeten opkomen. Als middel van cassatie wordt door den heer req. voorgesteld: „Schending van de artt. 225 en 56 2e lid j°. 48 sub 2 Strafrecht door verkeerde toepassing van art. 216 j°. 239 Strafvord.".

Het middel is bepaaldelijk gericht tegen eene overweging van het bevestigde vonnis, aldus luidende: „dat voor de medeplichtigheid aan een misdrijf wordt vereischt, dat een ander h e t p 1 a n tot het misdrijf heeft gevormd en dat hij, die tot het plegen van het reeds beraamde misdrijf medewerkt, op een der wijzen, in art. 48 Strafrecht omschreven, daaraan medeplichtig is".

Volgens Hof en Rechtbank alzoo, is er geen medeplichtigheid wanneer de gelegenheid, de middelen of de inlichtingen aan een ander Zijn verschaft op een oogenblik, dat deze tot het plegen van een misdrijf nog geen plan had gevormd.

Ziedaar de juridieke stelling, waarvan de juistheid zal moeten worden onderzocht. De feiten kunnen geheel ter zijde worden gelaten. Alleen Zij vermeld dat den gereq. was te laste gelegd en door de Rechtbank bewezen verklaard het geven van inlichtingen tot het plegen der misdrijven van valschheid in geschrift en gebruikmaking van het valsche geschrift, doch dat volgens de Rechtbank, niet was gebleken dat, toen de gereq. de inlichtingen aan den ander verschafte, deze reeds tot het plegen van die misdrijven het plan had gevormd.

Het zij mij vergund al dadelijk te verklaren dat de in het vonnis neergeschreven stelling mij volkomen onhoudbaar voorkomt en wel om deze ééne, maar voor mij geheel afdoende reden, dat de door de Rechtbank gemaakte onderscheiding in art. 48 Swb. niet te vinden is. Daar lezen wij: „Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft:

1°. zij, die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;

2°. zij, die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf".

Waar is nu de gewilde onderscheiding? Het artikel is zoo algemeen mogelijk. Alleen wordt — en natuurlijk — als vereischte gesteld, dat de gelegenheid, de middelen, de inlichtingen tot het plegen van het misdrijf hebben gediend, maar wanneer ze moeten gegeven zijn, nog minder dat ze moeten gegeven zijn nadat het plan bij den ander reeds was gevormd, daarover laat de wetgever zich met geen enkel woord uit.

Ik zou bier kunnen eindigen, maar acht het toch niet van belang ontbloot eens na te gaan welke de argumenten kunnen geweest zijn, waardoor Rechtbank en Hof tot hun stelsel zijn gekomen. En dan ver-