Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten ontzent het punt in quaestie niet wordt behandeld. Intusschen meende de geachte verdediger een beroep te mogen doen op den bekenden Duitschen criminalist von Holzendorff. Hij had nog meerdere Duitsche schrijvers kunnen noemen. Maar hun gezag kan hier niet gelden omdat de begrippen van uitlokking en medeplichtigheid in ons strafwetboek anders begrensd zijn dan in het Duitsche (I 48 en § 49).

Ten andere werd beweerd, dat hij, die tot het plegen van een misdrijf gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, dit, om strafbaar te zijn, opzettelijk moet hebben gedaan; dat hij dit niet opzettelijk kan hebben gedaan waar hij niet op de hoogte was van eens anders voornemen; en dat hij van dat voornemen niet op de hoogte kan zijn geweest waar bij den ander dat voornemen nog niet bestond.

Bij dit beweren wordt echter voorbijgezien, dat er strafrechtelijk ook een voorwaardelijk opzet kan aanwezig zijn, in dien zin, dat de gelegenheid, de middelen, de inlichtingen kunnen zijn verschaft voor het geval een ander het voornemen mocht opvatten en tot het besluit mocht komen het misdrijf te plegen. Cf. daaromtrent van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche strafrecht, bl. 270 en 356. Zie ook blz. 350 en 357.

Ik acht derhalve het middel van den heer req. volkomen gegrond en heb daarom de eer te concludeeren, dat de Hooge Raad het beklaagde arrest zal vernietigen en, ten principale rechtdoende, den gereq. zal verklaren schuldig aan hetgeen hem is ten laste gelegd en bewezen verklaard, dit zal qualificeeren als medeplichtigheid aan valschheid in geschrift, bestaande deze valschheid in het valschelijk opmaken van een geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van eenig feit te dienen, met het oogmerk om dit als echt en onvervalscht te gebruiken, terwijl uit dat gebruik eenig nadeel kon ontstaan, en medephchtigheid aan het opzettelijk gebruik maken van een valsch geschrift, als ware het echt en onvervalscht, terwijl uit dat gebruik eenig nadeel kon ontstaan; en wel door het opzettelijk verschaffen van inlichtingen tot het plegen van die beide misdrijven, en, met toepassing van art. 48 pr. et sub 2°. j°. 225 Swb., hem zal veroordeelen tot een gevangenisstraf van 2 jaren.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij memorie:

Schending van de artt. 225 en 56 tweede lid in verband met 48 sub 2 Strafrecht door verkeerde toepassing van art. 216 in verband met 239 Strafvord.;

Overwegende, dat door den req. als de eenige vraag, die in cassatie beslist moet worden gesteld is: „óf het verschaffen van inlichtingen tot het plegen van een misdrijf vóór dat de dader daartoe het plan had terwijl dit eerst daarna bij hem opgerezen zijnde met behulp van die