Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf;

O. dat blijkens de memorie van toelichting, wat den auctor intellectualis van den laatstgenoemden medeplichtige onderscheidt hierin gelegen is dat bij genen het denkbeeld van het misdrijf rijst, terwijl deze alleen de uitvoering van eens anders misdadig opzet bevordert;

dat uit deze toeüchting op art. 48 en uit de woorden van dit artikel zelve blijkt, dat voor het bestaan van medeplichtigheid in het algemeen en dus ook waar deze zich voordoet in den vorm van opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een misdrijf, vereischt wordt dat het opzet tot het plegen van dat misdrijf bij hem aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik dat deze wordt verleend, aanwezig gevonden wordt;

dat toch het opzet van den medeplichtige niet daarop gericht is om door eigen zelfstandigen wil het misdrijf te doen plaats vinden, zooals bij den auctor intellectualis het geval is, maar om door hulp waarvan de grenzen in de wet zelve getrokken zijn, bijstand te verkenen aan de uitvoering van het misdadig voornemen van een ander;

dat ook de beteekenis van het woord medeplichtigheid zelf zich aansluit aan deze beschouwing;

dat toch „medeplichtig", volgens het taalkundig advies van den Hoogleeraar de Vries over het oorspronkelijk regeeringsontwerp niet is af te leiden van: „mede plegen" maar van „mede plechten of plichten", wat wil zeggen: zich verbinden zoodat „medeplichtig zijn" beteekent het zich mede aan iemand verbonden hebben in zekere handeling en is deze eene strafbare, mede aan zijne schuld verbonden zijn;

O. dat dus het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

W. 7145.

46 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 8 Maart 1920.

Art. 48 W. v. Str.

Medeplichtigheid, ook wanneer die zich voordoet in den vorm van opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van een misdrijf, bestaat, indien de hulp verleend, de gelegenheid verschaft wordt aan hem, bij wien het opzet tot het plegen van het misdrijf op dat oogenblik reeds aanwezig was.