Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. J. M. S. is requirant van cassatie tegen een te zijnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, van den lOen Dec 1919. waarbij in hooger beroep, met vernietiging van het vonnis der Arrond.Rechtbank te Middelburg, op 10 Oct. 1919, in deze zaak gewezen, de requirant werd schuldig verklaard aan „medeplichtigheid aan poging tot-opzettelijk gebruik maken van valsch voor omloop bestemd credietpapier, als ware het echt en onvervalscht, uit welk gebruik eenig nadeel kon ontstaan".

Uit de conclusie van den adv.-gen. Ledeboer: Edele Hoog Achtbare Heerenl

Bij pleidooi zijn de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

L „Schending, althans verkeerde toepassing van art. 48 Strafr., in verband met de artt. 47, 225 en 226 van dat Wetboek, doordien het Gerechtshof den requirant heeft veroordeeld ter zake van het opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van een strafbare poging tot opzettelijk gebruik maken van valsch voor omloop bestemd credietpapier als ware het echt en onvervalscht, uit welk gebruik eenig nadeel kon ontstaan, zulks, terwijl uit de feiten blijkt, dat hier niet van medeplichtigheid doch van uitlokking sprake is, in allen gevalle de te laste gelegde feiten niet het opzettelijk gelegenheid verschaffen zijn, zoodat ontslag van rechtsvervolging had moeten volgen."

Eerste middel. Bij pleidooi werd er nadruk op gelegd, dat dezelfde handelingen niet tegelijk daden van medeplichtigheid zouden kunnen zijn en daden van uitlokking. Waar nu, zooals de geachte pleiter betoogde, de handelingen door requirant verricht, daden van uitlokken zouden zijn, zou ten laste van dezen ten onrechte medeplichtigheid zijn aangenomen aan een misdrijf door K. gepleegd.

Bij het bekende arrest van 13 Juni 1898, W. 7145, werd door Uwen Raad beslist, dat voor het opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van een misdrijf vereischt wordt, dat bet opzet tot het plegen van dat misdrijf, bij hem aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig gevonden wordt. Daardoor wordt de grens aangeduid tusschen daden van medeplichtigheid door gelegenheid verschaffen en daden van uitlokking. De aard van de handeling is daarvoor niet onder alle omstandigheden beslissend. Dezelfde handeling zou onder bepaalde omstandigheden kunnen worden beschouwd als het verschaffen van gelegenheid tot het plegen van een misdrijf en onder andere omstandigheden als uitlokken daarvan. Toegegeven wordt uitteraard, dat onder bepaalde omstandigheden eene handeling niet tegelijk een daad van medeplichtigheid en van uitlokking kan wezen.

De. door requirant verrichte handelingen zijn onder de in dit geval aanwezige omstandigheden, naar mijn oordeel, terecht beschouwd als het gelegenheid verschaffen tot het begaan van een misdrijf. Dat zij aan

11