Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarbij hem werd telastgelegd dat hij opzettelijk gelegenheid heeft gegegeven tot diefstal van koffie, vervoerd in een onder zijn toezicht gesteld vaartuig, door, toen die koffie werd ontvreemd, in zijne tegenwoordigheid en nadat de daders hem hun voornemen daartoe hadden bekend gemaakt, zich tegen de uitvoering niet te verzetten.

Het komt mij voor dat de beklaagde te onrechte veroordeeld is.

In het algemeen wordt te recht aangenomen, dat de wet, strafbaar stellende het verschaffen van gelegenheid tot het plegen van een misdrijf, het enkele laten van gelegenheid, de zoogenaamde passieve medeplichtigheid, daaronder niet begrijpt. Zoo oordeelt o. a. Simons, Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht I, bladz. 279. Deze schrijver maakt echter eene uitzondering voor een geval als het onderhavige en is van meening dat bij, die met toezicht belast, een ander de vrije hand laat om zijn misdrijf te plegen, geacht kan worden daartoe de gelegenheid te verschaffen. De kan ook nog wijzen op de conclusie, voorafgaande aan het arrest van den Hoogen Raad van 23 Nov. 1908 (W. 8775), bij welk arrest de nu gestelde vraag niet is beantwoord.

Ik houd de bedoelde uitzondering voor niet gerechtvaardigd. In verschaffen van gelegenheid kan ik niet anders zien dan het verrichten van eene daad, waardoor de gelegenheid wordt gegeven.

De wet noemt in éénen adem het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen; nu zal het verschaffen van inlichtingen wel niet gelegen zijn in iets anders dan eene daad; dezelfde beteekenis moet dus worden toegekend aan het verschaffen van middelen en gelegenheid.

En, gesteld al dat men hieronder met van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, bladz. 475, wil begrijpen eene negatieve daad, het openlaten van eene deur die gesloten had moeten worden, het opzettelijk niet betrekken van eenen bewakingspost, wat mij minst genomen twijfelachtig voorkomt, ook zoodanige daad is niet aanwezig in het niets doen, het enkele toelaten, ook al wordt daardoor een civielrechtelijke of publiekrechtelijke plicht geschonden.

Als middel van cassatie stellende: „Schending van art. 50, in verband met art. 316 Wetb. Strafr. voor de kolonie Suriname, vorder ik krachtens art. 14 van het Koninklijk besluit van 23 Febr. 1909, Stbl. no. 59, de vernietiging in het belang der wet, van het vonnis van het Hof van Justitie in de kolonie Suriname van 24 April 1920, waarbij K. wegens medeplichtigheid aan diefstal is veroordeeld tot gevangenisstraf van 5 maanden.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, bestaande in: zie conclusie proc.-gen.;

Overwegende, dat in overeenstemming met hetgeen aan den gerequireerde is te laste gelegd, bij het bestreden vonnis is bewezen verklaard, dat hij omstreeks 1 Dec. 1919, in een vaartuig op de Suriname-rivier, waarin door B., B. A., M. en M. 130 balen koffie werden vervoerd, onder