Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beklaagde's toezicht, opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan B. A., M. en M., om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit eenige dier balen koffie, welke toebehoorden aan de Surinaamsche Cultuurmaatschappij, eene hoeveelheid koffie weg te nemen, door zich, toen zij die koffie met voormeld oogmerk wegnamen, in beklaagdes tegenwoordigheid, na hun voornemen daartoe aan hem te hebben bekend gemaakt, daartegen niet te verzetten;

dat dit feit is gequalificeerd en te dier zake aan den gerequireerde straf is opgelegd, zooals aan het hoofd dezes is vermeld;

O. dat art. 50 Strafr. voor de Kolonie Suriname, 't welk geheel gelijkluidend is aan art. 48 van het Nederlandsch Wetboek van Strafrecht, medeplichtigheid aan een misdrijf strafbaar stellende, twee gevallen onderscheidt, namelijk hulp, die met het misdrijf gepaard gaat en hulp, die Hparaati vooraf gaat, welke gevallen respectievelijk onder 1° en 2° worden behandeld;

dat, waar is bewezen verklaard dat gerequireerde, toen de in de telastelegging genoemde personen de koffie wegnamen, zich daartegen niet heeft verzet, van een aan het misdrijf voorafgaande hulp geen sprake is; dat het dus de vraag is of gerequireerde, zich gedragende gelijk bewezen is verklaard, geacht moet worden behulpzaam te zijn geweest bij het plegen van den omschreven diefstal;

dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord;

dat immers uit de bewezenverklaring volgt, dat de dieven de gelegenheid kregen een hoeveelheid koffie in gerequireerdes tegenwoordigheid weg te nemen, doordat gerequireerde met de bedoeling dien diefstal te bevorderen zich tegen dat wegnemen niet verzette, niettegenstaande hij met het toezicht over die koffie was belast en het dus zijn bijzondere plicht was dien diefstal te verhinderen;

dat onder deze omstandigheden het Hof terecht art. 50 Strafr. voor de Kolonie Suriname toepasselijk heeft geoordeeld;

dat immers dit artikel niet aangeeft, waaruit de daarbij bedoelde hulp moet bestaan of op welke wijze zij moet worden verleend en er dan ook geen reden is om aan te nemen, dat deze hulp nooit zou kunnen bestaan in het nalaten eener handeling;

Verwerpt het beroep.

W. 10717.