Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van art. 1 van het K. B. van 14 Aug. 1888 (S. 142), zooals dit is gewijzigd laatstelijk bij K. B. van 3 Febr. 1902 (S. 15) j°. art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (S. 131), verbiedende o.m. den invoer van buitenslands van varkens, strafbaar gesteld bij art. 35 der laatstgenoemde wet in verband met art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 (S. 64) met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste f 500;

dat vermits op het te laste gelegde bij de Veewet eene zwaardere hoofdstraf wordt gesteld dan bij gemeld art. 143 der Alg. Wet en tevens die Veewet (sprekende van verbod van invoer van varkens) eene strafbepaling van meer bijzonderen aard inhoudt dan de Ah». Wet (sprekende van een algemeen verbod van invoer van goederen buiten route of heerbaan), ingevolge art. 55 Strafr., alleen de Veewet in aanmerking kan komen;

dat op die gronden de Rechtbank ten aanzien van voorschreven telastelegging den Rijksadvocaat niet ontvankelijk heeft verklaard in zijne vordering en — vermits ingevolge art. 11 j°. art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 (S. no. 64) de strafbare feiten bedoeld in art. 35 der Veewet worden beschouwd als overtredingen, waarvan de berechting in eersten aanleg ingevolge art. 14 R. O. behoort bij den Kantonrechter — Zich zelve ten aanzien der vordering van den Off. van Just. onbevoegd heeft verklaard van deze zaak kennis te nemen en die naar den bevoegden rechter heeft verwezen;

dat op het uitsluitend tegen die niet ontvankeüjkverklanng en onbevoegdverklaring gericht hooger beroep, het Hof het vonnis der Rechtbank te Breda op 21 Maart 1912 in deze zaak gewezen beeft vernietigd, doch alleen voor zoover daarbij de Rijksadvocaat is verklaard nietontvankelijk in zijne vordering, en de Rechtbank zich met verwijzing naar den bevoegden rechter onbevoegd verklaard heeft kennis te nemen van het biervoren vermelde aan requirant ten laste gelegde feit, en de zaak in zooverre naar dezelfde Rechtbank heeft verwezen, ten einde op de bestaande dagvaarding bovenvermeld ten laste gelegde feit te berechten en af te doen;

dat die beslissing van het Hof berust op de navolgende overwegingen:

„dat het Hof met de Rechtbank van oordeel is, dat er ten deze slechts rede kan zijn van een enkel strafbaar feit te weten', invoer van buitenslands van varkens en wel buiten route of heerbaan; immers geen enkel ander feit werd dezen beklaagde bij de inleidende dagvaarding sub 1 ten laste gelegd en dat nu in verband met art. 55 Strafr. moet worden onderzocht en beslist of eenige strafbepaling der Alg. Wet, dan wel die van art. 35 der Veewet, zooals dit luidt volgens art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 (S. 64) op dat feit toepasselijk is;

„dat deze vraag, naar 's Hofs oordeel, uitsluitend kan worden getoetst aan art. 55, le lid en niet aan het 2e lid van dat artikel, omdat niet op goeden grond kan worden beweerd, dat voor voorschreven feit twee