Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strafbepalingen bestaan, waarvan de eene zich tegenover de andere zou verhouden als eene bijzondere tot eene algemeene;

„dat toch uit de memorie van toelichting op dat artikel ondubbelzinnig blijkt, dat niet, zooals de Rechtbank schijnt te meenen, die verhouding ontstaat, door dat het delictsobject van de eene strafbepaling, b.v. een species is van dat der andere bepaling, maar dat vóór alles al de kenmerken van eene strafbepaling (de algemeene) moeten worden teruggevonden in eene andere (de bijzondere), welke laatste dan daarenboven nog een of meer andere kenmerken bevat;

„dat art. 38 van meergenoemde Alg. Wet oa. het element bevat: „buiten route of heerbaan" en art. 1 van genoemd K. B. van 14 Aug. 1888 „invoer van varkens", terwijl eerstgenoemd element in laatstbedoelde verbodsbepaling en laatstgenoemd element in eerstbedoelde verbodsbepaling geheel ontbreekt, zoodat hier dus slechts sprake mag zijn van twee geheel op zich zelve staande bepalingen;

„dat invoer van buiten 's lands van varkens, buiten route of heerbaan verboden is, zoowel bij art. 1 van het K. B. van 14 Aug. 1888 als bij art. 38 der Alg. Wet en als overtreding dier krachtens art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (S. 131) vastgestelde bepaling van dat K. B., ingevolge art. 35 dier wet, zooals dit luidt volgens art. 10 no. 26 der wet van 15 April 1886 (S. 64) strafbaar is met ten hoogste een jaar hechtenis;

„dat alsnu behoort te worden onderzocht, welke strafbepaling gesteld is op overtreding der bepaling van art. 38 der Alg. Wet;

„dat invoer te lande, buiten route of heerbaan van accijns vrije goederen, bij het tarief ontheven van inkomende rechten, strafbaar is krachtens art. 143 dier wet, maar dat invoer van goederen aan rechten of accijnsen onderhevig of ten uitvoer verboden, als frauduleuze invoer strafbaar is, krachtens art. 205 dierzelfde wet en wel met gevangenisstraf van ten langste zes maanden;

„dat het ten laste gelegd feit bestaat in invoer buiten route of heerbaan van ten invoer verboden goederen, zoodat dat feit strafbaar is krachtens laatstgenoemd wetsartikel;

„dat de hoofdstraf bij dat artikel gesteld ingevolge art. 61 Strafr. zwaarder is dan die, door meergenoemd art. 35 der Veewet bedreigd en mitsdien krachtens het le lid van art. 55 Strafr. slechts de strafbepaling van de Alg. Wet mag worden toegepast;

„dat het door deze strafbepaling voorzien feit, ingevolge art. 7 der wet van 15 April 1886 (S. 64) moet worden beschouwd als misdrijf en de eerste rechter derhalve, krachtens art. 56 R. O. bevoegd was hetzelve te berechten, terwijl het als overtreding der wetten op het stuk van inen uitgaande rechten en accijnsen recht tot strafvordering gaf, zoowel aan den Rijksadvocaat vanwege de Administratie als aan den Officier van Justitie;

„dat mitsdien het beroepen vonnis, voor zoover het aan 's Hofs cogni-