Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zwaarste straf wordt bedreigd, de zaak terecht heeft teruggewezen naar de Rechtbank;

dat het middel derhalve ongegrond is;

Gezien art. 354 Strafv.;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zoover het is gericht tegen dat gedeelte van het. arrest, waarbij is vernietigd het vonnis der Rechtbank te Breda, houdende met-ontvankelijkverWaring van den Rijksadvocaat in zijne vordering en voor zoover ook te dien aanzien de zaak is teruggewezen naar die Rechtbank;

Verwerpt overigens het beroep.

W. 9436.

49 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Zitting van 15 Februari 1932.

Art. 55 W. v. Str.

Het ,fih bestuurder van een motorrijtuig daarmede rijden over een weg, terwijl hij verkeert onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudenden drank, dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behooren te besturen" en het ,jüs bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen zich daarmede op een weg bevinden tusschen een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang, terwijl dat rijtuig niet voorzien is van ten minste twee aan weerszijden van het rijtuig aangebrachte lantaarns, die voorwaarts een helder wit licht uitstralen" zint twee zelfstandige overtredingen van verschillend karakter, die niet kunnen worden beschouwd als een feit in den zin van art. 55 Sr.

P. J. N. is requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arr. Rechtb. te Groningen van 5 November 1931.

De Hooge Raad, enz.;

Geboord het verslag van den Raadsheer Taverne;

Gehoord den Advocaat-Generaal Berger, namens den ProcureurGeneraal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;

O. dat noch bij de aanteekening van het beroep noch naderhand eenige gronden voor het beroep zijn aangevoerd; O. echter ambtshalve;

dat aan requirant bij inleidende dagvaarding is ten laste gelegd: „dat hij op 1 Maart 1931, des namiddags te ongeveer 9 V4 uur, te Gro-