Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ningen, als bestuurder van een auto, daarmede heeft gereden over den voor het openbaar verkeer openstaanden rijweg, de Oude Kijk in 't Jatstraat, terwijl hij verkeerde onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudenden drank, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behooren te besturen, terwijl dat motorrijtuig niet was voorzien van tenminste twee aan weerszijden van het rijtuig aangebrachte lantaarns, die voorwaarts een helder wit licht uitstraalden en aan de achterzijde niet behoorlijk zichtbaar op of aan het rijtuig was aangebracht een nummer met letter, aan den eigenaar of houder opgegeven, en dat hij op dien dag, des namiddags te ongeveer 10 uur, te Groningen zich in kenlijken staat van dronkenschap heeft bevonden op den openbaren weg, de Oude Kijk in 't Jatstraat;"

dat de Kantonrechter deze telastlegging heeft bewezen verklaard en de bewezenverklaarde feiten strafbaar heeft geoordeeld, behalve voorzoover „het aan de achterzijde van het door verdachte bestuurde motorrijtuig niet behoorlijk zichtbaar op of aan het rijtuig aangebracht zijn van een nummer met letter, aan den eigenaar of houder opgegeven" betreft, voorts de bewezenverklaarde feiten, voorzoover zij strafbaar zijn, heeft gequalificeerd als:

a. als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijden over een weg, terwijl hij verkeert onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudenden drank, dat bij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behooren te besturen;

b. als bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen, daarmede een weg berijdende tusschen een half uur na zonsondergang en een half uur vóór zonsopgang, dat rijtuig niet voorzien hebben van tenminste twee aan weerszijden van het rijtuig aangebrachte lantaarns, welke voorwaarts een helder wit licht uitstralen;

c zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden op den openbaren weg;

O. dat de Kantonrechter, overwegende dat de onder a en b vermelde feiten vormen één materieele handeling, vallende in meer dan één strafbepaling en dat de onder a en b eenerzijds en c anderzijds aangeduide feiten staan in zoodanig verband, dat zij moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling, behalve een bijkomende straf, één straf heeft opgelegd van veertien dagen hechtenis;

O. dat de Rechtbank, na overwogen te hebben, dat het vonnis van het Kantongerecht, voorzoover het hiervoren onder c gequalificeerde feit betreft, niet aan hooger beroep is onderworpen en dat het vonnis, voorZoover het wèl aan hooger beroep onderworpen is, niet in stand kan blijven, het aan requirant ten laste gelegde, voorzoover dit in hooger beroep aan het oordeel der Rechtbank is onderworpen, bewezen heeft verklaard, met ontslag van rechtsvervolging wat betreft het feit, terzake waarvan ook in eersten aanleg een ontslag van rechtsvervolging was uitgesproken;