Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dc Rechtbank voorts, na het bewezene te hebben gequalificeerd als hiervoren is vermeld, wat de op te leggen straf betreft heeft overwogen:

„dat alleen verdachte in hooger beroep is gekomen en deze derhalve terzake van hetgeen in eersten aanleg te zijnen laste bewezen is verklaard, niet tot een zwaardere straf kan worden veroordeeld dan hem bij het vonnis is opgelegd;

„dat ten aanzien van het feit, dat in hooger beroep als bewezen is aangenomen en strafbaar verklaard, nu dit in meer dan één strafbepaling valt, welke wat de bedreigde hoofdstraf betreft verschillen, art. 29 der Motor- en Rijwielwet moet worden toegepast, omdat dit artikel de zwaarste hoofdstraf bevat;

„dat, nu tengevolge van de vernietiging van het vonnis in eersten aanleg, voorzoover dit aan beroep onderworpen is, mede de terzake van het niet aan hooger beroep onderworpen feit opgelegde straf vernietigd is, naar de analogie van het bepaalde bij lid 4 van art. 423 Sv., de straf voor laatstbedoeld feit moet worden bepaald, waarvoor allereerst dient te worden uitgemaakt, welk gedeelte der vernietigde straf de verdachte door den Kantonrechter voor bedoeld feit is toegemeten;

„dat de Rechtbank op grond van de verhouding, waarin de verschillende feiten tot elkaar staan, terzake waarvan in eersten aanleg aan verdachte straf is opgelegd, aanneemt, dat dit gedeelte der straf twee dagen hechtenis bedraagt;

„dat de Rechtbank niet aanneemt, dat er tusschen de in de vorige overweging bedoelde feiten zoodanig verband bestaat, dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling;"

O. dat de Rechtbank vervolgens requirant heeft veroordeeld tot twaalf dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor den tijd van zes maanden, met bepaling van de straf voor het feit ten aanzien waarvan verdachte in zijn hooger beroep nietontvankelijk is verklaard op een geldboete van vier gulden en twee dagen vervangende hechtenis;

O. nu ten aanzien van deze beslissingen betreffende de aan requirant opgelegde straf:

dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven voorzoover het eenige beslissing bevat betreffende de bestraffing van het „zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden op den openbaren weg", niet alleen omdat het in eersten aanleg gewezen vonnis op dit punt niet aan het oordeel der Rechtbank was onderworpen, maar ook omdat de door de Rechtbank aanwezig bevonden analogie met het bepaalde bij art. 423 lid 4 Sv. zich hier niet voordoet, terwijl, ook al ware dit wel het geval, de Rechtbank toch de bevoegdheid zou hebben gemist om de straf, welke naar haar oordeel, mocht geacht worden voor voormeld feit door den Kantonrechter te zijn toegemeten, te wijzigen;

O. immers dat de Kantonrechter de hiervoren onder a en 6 genoemde