Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■ feiten eenerzijds — in welke feiten de Kantonrechter één feit in den zin I van art. 55 Sr. heeft gezien — en het feit van de dronkenschap anderzijds,

■ heeft beschouwd als meerdere feiten welke, ofschoon elk op zichzelf I overtreding opleverende, in zoodanig verband staan, dat zij moeten worden

■ beschouwd als één voortgezette handeling; dat dan echter door den KanI tonrechter, ingevolge art. 56 Sr., slechts één strafbepaling is toegepast,

■ welke strafbepaling in dit geval niet was die van art. 453, eerste lid Sr., E zoodat voor het feit van dronkenschap geen straf is opgelegd en evenmin K kan worden gezegd, dat een gedeelte van de opgelegde, en op het feit van B art. 453, eerste lid, trouwens niet eens gestelde, hechtenisstraf, moet

geacht worden voor het feit van dronkenschap te zijn toegestaan, hetgeen

■ met het in art. 56 gehuldigde absorptie-stelsel dan ook niet te rijmen I zoude zijn;

dat reeds om deze reden de beslissing der Rechtbank, waarbij de straf

It voor bedoeld feit van dronkenschap nader op een geldboete is bepaald, niet in stand kan blijven;

O. dat, ook wat de door de Rechtbank zelf opgelegde straf betreft, het bestreden vonnis niet juist is gewezen, daar de Rechtbank ten onrechte

I het bewezene heeft beschouwd als één feit in den zin van art. 55 Sr. en mitsdien ten onrechte slechts ééne strafbepaling, te weten die van art. 29 in verband met art. 22 van de Motor- en Rijwielwet, heeft toegepast; O. immers dat het eene door requirant gepleegde feit hierin bestaat,

l[ dat hij met een door hem bestuurd motorrijtuig daarmede heeft gereden over een weg, terwijl hij verkeerde onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudenden drank, dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behooren te besturen — waarbij derhalve

Ij het kenmerkende van het feit moet worden gezocht in den toestand, waarin hij, verdachte, tijdens het besturen van een motorrijtuig, verkeerde

| i — terwijl het andere feit bestaat in het op een bepaalden, bij de wet aangeduiden djd, niet voorzien zijn van het door verdachte bestuurde motorrijtuig van twee nader bij de wet omschreven lantaarns, terwijl verdachte zich daarmede op een weg bevond — waarbij dus het kenmerkende van het feit is gelegen in den toestand, waarin het door verdachte bestuurde motorrijtuig verkeerde, in het bijzonder wat de bier bedoelde lantaarns betreft;

dat deze twee feiten geheel los van elkander kunnen worden gedacht en elk feit op zichzelf een zelfstandige overtreding van verschillend karakter oplevert, zoodat, al kunnen zij zich, gedurende een zeker tijdsverloop, zeer gemakkelijk ten aanzien van eenzelfden dader gelijktijdig voordoen, die gelijktijdigheid niet iets wezenlijks is, het eene feit niet als 't ware in het andere opgaat en het eene feit dan ook niet kan worden beschouwd als een omstandigheid, waaronder het andere feit zich voordoet; dat bij een dergelijk complex van feiten het ook zeer goed mogelijk is, dat op een bepaald oogenblik het eerste feit, onafhankelijk van het