Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der uitreiking en de geldigheidsduur, gepleegd door twee of meer vereenigde personen, met aanhaling van de artt. 16, 17, 31, 32 en 33 der Visscherijwet, 23, 55 Sr., zijn veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Fick;

O. dat noch bij de aanteekening van het beroep noch naderhand door of vanwege de requiranten eenige gronden voor het door hen ingestelde beroep zijn aangevoerd;

O. evenwel ambtshalve:

dat bij het bestreden vonnis wettig en overtuigend is bewezen verklaard, met qualificatie en strafoplegging als boven is gezegd, dat requiranten te zamen en in vereeniging met elkander te Pijnacker op of omstreeks 11 Augustus 1931, des namiddags omstreeks te 8.30 uur, in de wegsloot, gelegen langs den Overgauwschen weg, zijnde een water, waarvan rechthebbende op het vischrecht was een ander dan zij, verdachten, hebben gevischt met een schakel door dat vischtuig te water te hebben en weder uit het water op te halen, zonder dat zij voorzien waren van een acte, geldig voor gemelde visscherij en van een schriftelijke vergunning van den rechthebbende, vermeldende de dagteekening der uitreiking en den geldigheidsduur;

O. dat de Rechtbank ten onrechte dit bewezene heeft beschouwd als één feit in den zin van art. 55 Sr. en mitsdien ten onrechte slechts ééne strafbepaling heeft toegepast;

O. toch dat die bewezenverklaring inhoudt twee feiten welke geheel los van elkander kunnen worden gedacht en elk feit op zich zelf een Zelfstandige overtreding van verschillend karakter oplevert, bestaande immers het eerste feit hierin, dat wordt gevischt met een vischtuig, waarvan het gebruik verboden is indien men niet voorzien is van een, voor de daarmede uitgeoefende visscherij, geldige acte, terwijl het ander feit bestaat in het visschen in een water, dat zonder vergunning van den rechthebbende, niet bevischt mag worden;

O. dat hieruit volgt, dat zich hier niet voordoet het geval voorzien bij art. 55 Sr., doch hier sprake is van samenloop van twee overtredingen, als bedoeld in art. 62 Sr.;

Vernietigt het bestreden vonnis, doch alleen wat de strafoplegging betreft;

Rechtdoende krachtens art. 105 R. O.; gezien art. 62 Sr.; O. dat na te noemen straffen moeten worden geacht te zijn in overeenstemming met den aard en den ernst der gepleegde feiten; Veroordeelt ieder der verdachten:

wat het eerste feit betreft tot eene geldboete van vijf gulden, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twee dagen hechtenis; wat het tweede feit betreft, tot eene geldboete van twee gulden en

12