Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze terstond of kort daarop daaraan is overleden, en wat de beide anderen betreft, dat zij gedurende verscheidene dagen daardoor ziek zijn geweest en verhinderd zijn geweest in de uitoefening hunner beroepsbezigheden van onderscheidenlijk fabrieksarbeider en fotograaf;

dat de Rechtbank, met qualificatie en strafoplegging als voormeld, dit telastegelegde bewezen heeft verklaard met dien verstande, dat Wilhelmus Petrus Adrianus Kloosterman zoodanig lichamelijk letsel bekwam, dat bij gedurende verscheidene dagen verhinderd is geweest in de uitoefening zijner bezigheden als fabrieksarbeider, zijnde niet bewezen wat in de telastelegging ten opzichte van Johannes Leonardus Wijnand vermeld staat;

O. ten aanzien van het vijfde middel:

dat de toepassing van art. 55 Sr. kennelijk steunt op de opvatting, dat hier één feit, te weten één aanrijding, zou hebben plaats gehad;

dat echter deze opvatting, aangenomen al, dat in het onderhavige geval de aanrijding tegen de beide personen als één aanrijding zoude zijn te beschouwen, niet juist is, daar het feitelijk gebeurde in den zin van art. 55 Sr. niet bestaat in aanrijdingen of in één aanrijding, — iets hetwelk op zichzelve strafrechtelijk irrelevant is, — maar in het veroorzaken, op welke wijze ook, van bepaalde in de wet omschreven gevolgen, te weten het veroorzaken van den dood van Van Tongeren en het veroorzaken van voorschreven letsel aan Kloosterman, welke geheel in het gevolg opgaande „feiten" niet als één „feit" kunnen worden beschouwd, doch als twee „feiten", een benaming door de wet nü eenmaal gebezigd voor alles wat in een strafbepaling kan vallen, van verschillend karakter, welke in de terminologie van art. 57 Sr. uitmaken „op zich zelf staande handelingen", opleverende meerdere misdrijven;

dat de Rechtbank derhalve niet art. 55, doch art. 57 Sr. had behooren toe te passen en mitsdien die artikelen heeft geschonden, terwijl het Hof hetzelfde heeft gedaan, door het in eersten aanleg gewezen vonnis op dit punt te bevestigen;

dat het middel dus gegrond is;

Vernietigt het bestreden arrest, doch alleen voor wat betreft de aanhaling van art. 55 Sr. in plaats van art. 57 Sr. en de opgelegde straf met de daarvoor aangevoerde bijzondere redenen.

Ned. Jur. 1933, bl. 16.