Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat vonnis heeft vernietigd, met qualificatie en strafoplegging als hiervoren is vermeld, zulks op grond:

dat door de Handelsregisterwet, Stbl. 1918, no. 493, bij art. 4, 2e alinea, aan de in art. 3 genoemde personen de verplichting wordt opgelegd van zaken reeds gevestigd bij het in werking treden dier wet binnen drie maanden opgaaf te doen ter inschrijving in het daartoe bestemde handelsregister, terwijl art. 25 dier wet het niet-nakomen van die verplichting binnen drie maanden strafbaar stelt; dat evenwel ook na het verstrijken van dien termijn de verplichting op die personen blijft rusten en zij door daaraan niet te voldoen zich voortdurend in overtreding bevinden; dat het reeds gewezen vonnis den gerequireerde niet van voormelde verplichting ontsloeg en zeker niet hem in de toekomst straffeloosheid verzekerde bij het verder niet voldoen aan die verplichting, doch het in gebreke zijn van gerequireerde op verschillende tijdstippen — evenwel met zulke tusschenruimten, dat hem de gelegenheid worde gelaten alsnog aan zijn verplichting te voldoen — hem ook telkens aan een strafvervolging bloot stelde;

dat ten slotte het door gerequireerde alsnog niet voldoen aan zijne verpüchting op 16 Nov. 1922 staat geheel buiten het op een vroeger tijdstip niet voldaan hebben aan zijn verplichting, ook al betreft het hier denzelfden plicht;

O. dat tot toelichting van het cassatieberoep onder meer is aangevoerd, dat een algemeene voortdurende verplichting tot aangifte in de Handelsregisterwet — zulks in tegenstelling met de Ongevallenwet — niet is te vinden, zoodat, waar de verplichting tot een bepaaldelijk aangegeven tijd is beperkt en deswege een veroordeeling heeft plaats gehad, verdere nalatigheid niet meer kan worden gestraft;

O. dat de Handelsregisterwet 1918, Stbl. 493, na in art. 1 te hebben vooropgesteld dat een handelsregister wordt ingesteld, waarin alle in het Rijk in Europa gevestigde handelszaken worden ingeschreven en na in art. 3 te hebben aangegeven, welke personen, in de verschillende gevallen, welke zich kunnen voordoen, tot het doen van de voorgeschreven opgaven voor de inschrijving in het handelsregister zijn gehouden, in art. 4 de termijnen bepaalt, waarbinnen de opgaaf geschiedt — en wel, voor het onderhavige geval, binnen drie maanden na het tijdstip van het in werking treden der wet (15 Maart 1921), derhalve uiterlijk op 15 Juni 1921 —, terwijl voorts in de volgende artikelen de inhoud der opgaven voor de verschillende gevallen nader wordt uitgewerkt, en in art. 25 der wet straf wordt bedreigd tegen hem „die niet voldoet aan zijne wettelijke verplichtingen tot het doen van opgaaf voor inschrijving in het handelsregister"; dat ten slotte die wet nog eenige aanvullingen en wijzigingen bevat van het Wetboek van Koophandel en van de Wet op Coöperatieve Vereenigingen en diensvolgens het tweede lid van art. 38 W. v. K., voor zoover hier van belang, thans luidt: „de bestuurders