Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„1°. het als fabrikant bij zijn register van inslag van ruwe tabak niet bewaren van alk stukken, die tot staving van de juistheid der inschrijvingen kunnen dienen; 2°. het als fabrikant in het daartoe bestemde register geen aanteekening houden van inslagen van ruwe tabak, respectievelijk twaalfmaal en eenmaal gepleegd, en 4°. het als fabrikant in het daartoe bestemde register geen aanteekening houden van uitslagen van ruwe tabak", met toepassing van de artt. 31, 73 en 78 der Tabakswet 1921, S. 712, 225 der Algemeene Wet van 26 Augustus 1822, S. 38, 52 van den Code Pénal, 7 der Invoeringswet 1886, S. 64, 23 en 91 Sr., is veroordeeld respectievelijk tot geldboeten van honderd gulden, twaalfmaal en eenmaal honderd gulden, en honderd gulden, verhaalbaar bij lijfsdwang, en vervangende hechtenis van respectievelijk tien dagen, twaalfmaal en eenmaal tien dagen, en tien dagen, terwijl hij ter zake van het hem sub 3° telastegelegde werd ontslagen van rechtsvervolging.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie;

O. dat den gerequireerde — voorzoover ten deze van belang — bij de inleidende dagvaarding is telastegelegd: dat bij, die destijds was fabrikant en verkooper van sigaren, op 14 Mei 1925 te Gouda in het daarvoor bestemde register geen aanteekening had gehouden onderscheidenlijk van den op of omstreeks elk van na te melden dagen plaats gehad hebbenden inslag van ruwe tabak in het pand, gelegen aan het Roozendaal No. 28 te Gouda, waarvoor den verdachte eene bedrijfsvergunning als sigarenfabrikant was verleend:

19 Januari 1925,18 Maart 1925,27 Maart 1925,30 Maart 1925, 2 April 1925,2 April 1925,3 April 1925,3 April 1925,7 April 1925,8April 1925, 11 April 1925,17 April 1925,23 April 1925,24 April 1925,25 April 1925, 27 April 1925, 30 April 1925,1 Mei 1925, 2 Mei 1925, 2 Mei 1925,5 Mei 1925, 6 Mei 1925, 7 Mei 1925, 8 Mei 1925, 9 Mei 1925, 12 Mei 1925, 13 Mei 1925.

dat blijkens de aanteekeningen betreffende het mondelinge vonnis de Politierechter de voornoemde feiten bij zijne in hooger beroep bevestigde uitspraak bewezen heeft verklaard, met dien verstande dat zij zijn gepleegd van 19 Januari 1925 tot en met 17 April 1925 twaalf maal en na 23 April 1925 één maal „zijnde dan als één voortgezette handeling";

dat deze feiten zijn gequalificeerd en de gerequireerde deswege tot straf is veroordeeld, gelijk hiervoren is vermeld;

O. dat ter ondersteuning van het tegen deze beslissing gerichte middel is aangevoerd: dat, waar het ten deze betrof het als fabrikant op verschillende dagen in het daartoe bestemde register geen aanteekening houden van inslagen van ruwe tabak en alzoo het plegen van meerdere op zich zelf staande verzuimen, reeds om die reden van een voortgezette hande-