Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik houd het middel voor ongegrond.

Artikel 57 bepaalt dat bij samenloop van meerdere misdrijven waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, één straf (met zekere beperking) wordt uitgesproken, terwijl volgens art. 58 in geval de hoofdstraffen ongelijksoortig zijn, elk dier straffen, met inachtneming van een bepaalden gezamenlijken duur — wordt uitgesproken.

Wanneer kunnen nu de straffen, bij toepassing van de genoemde artikelen, geacht worden gelijksoortig te zijn? Meer in het bijzonder — in dit geval —: kon, waar het bier den samenloop betrof van het misdrijf van art. 182 waartegen uitsluitend gevangenisstraf, met dat van art. 266 j°. 267, waartegen alternatief gevangenisstraf of geldboete is bedreigd, 'sprake zijn van misdrijven waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld.?

De geëerde pleitster heeft deze vraag ontkennend beantwoord en aan uwen Raad uitvoerig medegedeeld de verschillende meeningen welke hieromtrent bekend zijn. Meer in het bijzonder wees zij er op dat ook bij onze bekende schrijvers over het strafrecht geen eenstemmigheid bestond. Zoo vestigde zij o.a. de aandacht op hetgeen Mr. Noyon in zijn werk het Wetb. v. Strafrecht dl. 12e dr. bl. 314 en 315 aanteekent — en waarmede zij zich vereenigde —, nl. dat bij alternatieve strafbepaling ingeval van samenloop altijd ongelijksoortigheid van straffen aanwezig is, zoodat ook dan, wanneer de rechter gelijksoortige straffen kiest, elke straf afzonderlijk moet worden opgelegd, — voorts op Mr. v. Hamel (Inl. 2e dr. bl. 487) die de leer voorstaat dat bij samenloop, wanneer meerdere hoofdstraffen alternatief bedreigd zijn, de beantwoording der vraag of het eene cumulatie van gelijksoortige of van ongelijksoortige straffen geldt, moet worden gegeven door de keuze van den rechter, krachtens de wet, — welke leer ook hare verdediging vindt bij Mr. Simons (Leert), bl. 282 noot 3) alsmede bij Mr. H. v. d. H. blijkens diens aanteekening, in T. v. Strafr. XVI, Overzicht bl. 12, op eene in tegenovergestelden zin gegeven beslissing van het Hoog Mil. Gerechtshof dd. 2 Oct. 1894 en waarvan de slotsom is, dat bij alternatieve strafbepaling, art. 57 toepasselijk zal zijn al naar gelang de rechter één strafsoort of verschillende strafsoorten meent te moeten opleggen. In denzelfden zin ook Mr. Baron v. Styrum T. v. Strafr. I bl. 249.

Ik meen derhalve, ter vermijding van herhaling en met eene verwijzing naar de aangehaalde schrijvers te kunnen volstaan met de opgave der gronden waarop ook door mij de zooeven gestelde vraag, of nl. op de beide misdrijven, waarvan de samenloop vaststaat, g e 1 ij ksoortige straffen zijn gesteld, bevestigend wordt beantwoord.

De wet heeft geen uitdrukkelijk voorschrift gegeven over gelijksoortigheid of ongelijksoortigheid bij toepassing van de artikelen 57 en 58, ingeval van alternatieve strafbepalingen. De eenige bepaling betreffende