Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat geval bij samenloop, art. 61, heeft ten doel de betrekkei ij ke zwaarte en den betrekkei ij ken duur der hoofdstraffen vast te stellen, — meer in het bijzonder strekt de tweede alinea van het artikel, om bij de vergelijking te doen bepalen welke van de alternatieve straffen de zwaarste is, — zulks in verband met de artikelen 55 en 56, waar bij samenloop de strafbepaling wordt toegepast waarop de zwaarste hoofdstraf staat. De bedoelde vergelijking is daarom niet bestemd om te doen vaststellen welke der alternatieve straffen bij samenloop moet worden geacht op het misdrijf te z ij n gesteld. (De Hooge Raad vergel. een opstel van Mr. de Rouville, T. v. Strafr. VIII bl. 444, die in artikel 61 al. 2 integendeel een voorschrift ziet waarbij ingeval van samenloop, de zwaarste der alternatief bedreigde straffen aan den rechter wordt aangewezen, als de tegen het misdrijf bedreigde.

In denzelfden zin Polenaar c. s., Het Wetb. v. Strafrecht I bL 254 aant. 2. Anders daarentegen Mr. Tieboel van der Ham in T. v. Strafr. X bl. 60 noot 1).

Was het echter noodig dat de wet een bijzonder voorschrift gaf?

Naar mijne meening was dit daarom niet noodig omdat in eene alternatieve strafbedreiging ligt opgesloten de noodzakelijkheid van de keuze door den rechter. Immers een zoodanige strafbepaling kan niet anders beteekenen dan dat de wet, voor het geval de rechter de eene of de andere soort meent te moeten opleggen, zij daarvoor deze soort, met bepalingvanharenomvang, vaststelt —, m. a. w. bij alternatieve strafbedreiging laat de wet binnen de door haar gestelde grenzen de strafpositie aan den rechter over, zoodat in zoodanig geval op het misdrijf die straf is gesteld, welke de rechter uit de alternatieve straffen zal kiezen.

Wanneer dit waar is, dan volgt daaruit dat ook in de artikelen 57 en 58, onder de uitdrukking „waarop gelijksoortige (ongelijksoortige) hoofdstraffen zijn gesteld" alleen kan worden verstaan, waarop de wet na keuze door den rechter, blijkt gesteld te hebben gelijksoortige (ongel ij ksoortige) hoofdstraffe n".

Naar gelang dus de rechter de eene of de andere strafsoort zal hebben gekozen, zal bij samenloop blijken of op de verschillende misdrijven gelijksoortige of ongelijksoortige straffen zijn gesteld en daarvan afhangen of art. 57 dan wel 58 van toepassing is.

En deze, m.i. in de wet getroffen regeling, sluit zich volkomen aan bij het stelsel van ons wetboek, dat elk misdrijf worde gestraft met de straf welke de wet daartegen bedreigt; bij alternatieve strafbepaling dus: met de straf welke de rechter meent na keuze krachtens de wet te moeten toepassen, — terwijl zij ook daardoor, ingeval van niet gelijktijdige berechting (art. 63) waakt tegen de mogelijkheid dat van dit beginsel worde afgeweken.