Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangenomen beginsel, dat in vele gevallen den rechter de keuze moet worden gelaten tusschen meerdere straffen, welke vrije keuze ook bij samenloop van misdrijven den rechter niet mag worden ontnomen;

dat het met dit beginsel zou zijn in strijd en tot door den wetgever niet gewilde strafoplegging aanleiding zou geven, zoo men aannam, dat bij samenloop van strafbare feiten met alternatieve strafbedreiging, a 11 ij d van ongelijksoortige straffen sprake is en dus steeds art. 58 Strafr. zou moeten worden toegepast;

dat veeleer bij zoodanigen samenloop, de vraag of er sprake is van gelijksoortige dan wel ongelijksoortige straffen, en dus de vraag of art. 57 dan wel art. 58 moet worden toegepast, eerst na 's rechters strafkeuze moet worden beantwoord;

dat dit reeds volgt uit de stellige bepaling van art. 58, voorschrijvende bij den daaromschreven samenloop elke der op de misdrijven g estelde (niet „opgelegd e") hoofdstraffen uit te spreken, van welke bepaling de toepassing bij alternatief bedreigde straffen zich niet laat denken, dan na 'srechters keuze tusschen de alternatief gestelde straffen;

dat dan ook de wetgever door de bepaling van art. 58 slechts beoogde te voorkomen, dat ongelijksoortige straffen in één straf zouden worden opgelost en daardoor een misdrijf zoude worden gestraft met een andere straf, dan de wet daarop bedreigt en ook daaruit volgt, dat bij samenloop van misdrijven met alternatieve strafbepalingen eerst dan door den rechter meerdere straffen behooren te worden opgelegd zoo hij ongelijksoortige straffen kiest;

dat derhalve in deze, nu slechts één straf werd toegepast, het Hof blijkbaar van oordeel was, dat beide de ten laste gelegde misdrijven met gevangenisstraf moesten worden geboet en daaruit volgt, dat hier slechts van gelijksoortige hoofdstraffen de rede was, waarbij te recht art. 57 Strafr. is toegepast;

dat derhalve het middel is ongegrond;

Gezien art. 347 Strafv.;

Verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk voor zooverre het is gericht tegen de in het bestreden arrest vervatte vrijspraak; Verwerpt dit beroep overigens.

W. 8879.