Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 16 Februari 1914.

Art. 64 W. v. Str.

Wanneer een misdrijf gepleegd wordt tegen iemand, die den leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, blijft, ook nadat die persoon dien leeftijd bereikt heeft, de wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken bevoegd tot het indienen der klacht.

G. T. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 Oct. 1913, waarbij in hooger beroep is bevestigd een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Haarlem van 26 Juni 1913, bij hetwelk, na het daartegen gedaan verzet is bekrachtigd een vonnis door diezelfde Rechtbank den 24 April 1913 bij verstek gewezen, houdende schuldigverklaring van den requirant aan: „buiten echtvleeschelijke gemeenschap hebben met eene vrouw, die den leeftijd van 12, maar nog niet dien van 16 jaren heeft bereikt".

De adv.-gen. Besier heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heeren!

Als eenig cassatiemiddel is bij pleidooi voorgedragen: „Schending van art. 245, 2e lid Strafr., door verkeerde toepassing van art. 64, le lid van hetzelfde Wetboek, doordien het Hof, bevestigend het vonnis van de Rechtbank te Haarlem, heeft aangenomen, dat de moeder-voogdes van een rninderjarige, tegen wien een misdrijf, alleen op klachte vervolgbaar, is gepleegd, ook wanneer die minderjarige nadat het misdrijf was gepleegd, den leeftijd van 16 jaren heeft bereikt, mits büjvende binnen den termijn bedoeld in art. 66 Strafr., tot het indienen der klacht bevoegd bujft." .

De in dit middel te berde gebrachte grief wordt gesteund door het gezag niet alleen van v. Hamel en van Hazelhoff c. s., waar zij in hunne bekende werken art. 64 bespreken, maar ook van een arrest van Uw Raad van 15 Oct. 1894 (W. 6561). Intusschen, waar dit arrest reeds geruimen tijd geleden is gewezen en sedert is bestreden door Noyon en Simons in hunne verklaringen van art. 64 en door Feith in een reeds dadelijk na het wijzen daarvan in het Tijdschrift voor Strafrecht (VIII blz. 464 vlgg.) verschenen opstel, mag het niet ongewenscht heeten, het vraagpunt, dat zich hier voordoet, opnieuw te onderzoeken.

En dan kan ik met de opvatting, in bedoeld arrest gehuldigd, niet medegaan. Inderdaad laten m. i. de woorden van art. 64, houdende dat, indien een klachtmisdrijf is gepleegd tegen iemand die den leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt, de klachte geschiedt door zijn wette-