Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken vertegenwoordiger in burgerlijke zaken, geen andere verklaring toe, dan dat het voor de bevoegdheid van dien vertegenwoordiger alleen aankomt op den leeftijd van de aan zijn zorgen toevertrouwde persoon ten tijde van het plegen van het misdrijf. Dat het gebruik van den verleden tijd bier op een vergissing zou berusten — gesteld dat hierop tegen de uitdrukkelijke woorden der wet een beroep zou mogen worden gedaan — blijkt uit niets en zeker niet uit het gebruiken van den tegenwoordigen tijd waar in hetzelfde artikel hetzelfde wordt voorgeschreven voor hem, die, anders dan wegens verkwisting, onder curateele gesteld is. Zeer terecht toch wordt door Noyon opgemerkt, dat juist hier wel in den tegenwoordigen tijd moest worden gesproken, eensdeels opdat het voorschrift ook zou gelden voor het geval, dat de curateele eerst aanvangt tusschen het tijdstip van het misdrijf en dat van de klacht, en anderdeels omdat, wanneer de curateele in dit tijdvak een einde neemt, de curator ophoudt vertegenwoordiger te zijn en dus als zoodanig de klacht niet meer kan indienen. Geen van deze beide redenen doet zich voor, wanneer de leeftijdsgrens van 16 jaren in dit tijdvak valt, en derhalve was het volkomen redelijk, dat de wetgever den tegenwoordigen tijd alleen bezigde voor het geval van misdrijf tegen een curandus, doch voor dat van misdrijf tegen een kind onder 16 jaren den verleden tijd behield.

Tegen deze uitdrukkelijke woorden der wet met het vroegere arrest van Uw Raad een beroep te doen op haar stelsel schijnt mij ongeoorloofd, althans wanneer, gelijk hier, dit stelsel alleen moet blijken uit de parlementaire geschiedenis der wet en de woorden, waarop men zich dan beroept, dat n.1. in den regel een zelfstandig klachtrecht alleen toekomt aan hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, en dat de uitzondering daarop wegens diens zeer jeugdigen leeftijd, alleen haar grond vindt in diens ongeschiktheid om zijn belang te beoordeelen, kennelijk zijn geschreven naar aanleiding van het meest gewone geval, waarin die jeugdige leeftijd ten tijde van de klacht nog niet is overschreden.

En evenmin mag eenig argument geput worden uit de min gewenschte gevolgen, welke de door mij voorgestane opvatting zoude hebben, en zulks te minder omdat ook de bestreden meening tot ongewenschte uitkomsten kan leiden. Want al kan worden toegegeven dat bij eerstbedoelde opvatting de vertegenwoordiger van den minderjarige soms nog geruimen tijd, nadat deze 16 jaar geworden zal zijn, tot klagen bevoegd zal blijven — echter nimmer langer dan tot diens meerderjarigheid, daar dan zijne hoedanigheid ophoudt — aan den anderen kant leidt de andere lezing van art. 64 er toe, dat juist in een geval als het onderhavige aan niemand het klachtrecht zou toekomen, aan den minderjarige niet, omdat deze den zestienjarigen leeftijd bereikte na het verloopen van den voor klagen gestelden termijn en aan den vertegenwoordiger niet, omdat hij van het misdrijf eerst kennis kreeg nadat de minderjarige dien leeftijd had bereikt.