Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijne conclusie strekt dan ook tot verwerping van het beroep. De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi, luidende; zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij vonnis der Arrond.-Rechtbank te Haarlem van 24 Juli 1913 bij verstek gewezen, van het aan den requirant bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde met diens schuld daaraan bewezen werd verklaard:

dat hij in April 1912 onder Haarlemmerliede en Spaarnwoude buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft gehad met de vrouwelijke ongehuwde A. J. D., geboren 6 Oct. 1896;

dat dit feit bij voormeld vonnis werd gequalificeerd en de requirant deswege veroordeeld gelijk hierboven is opgegeven;

dat het vonnis, waarbij deze uitspraak werd bekrachtigd, bij het bestreden arrest, behalve ten aanzien der strafoplegging werd bevestigd, waarna de requirant, met vernietiging in zooverre van dat vonnis werd veroordeeld, zooals aan het hoofd dezes is vermeld;

O. alsnu met betrekking tot het middel van cassatie:

dat vaststaat, dat ter zake van voormeld alleen op klachte vervolgbaar misdrijf eene klacht is ingediend door de moedervoogdesse van de persoon, tegen wie het misdrijf was gepleegd, nadat deze den leeftijd van 16 jaren had bereikt, doch tijdens hare minderjarigheid en binnen den bij art. 66 Strafr. gestelden termijn;

O. dat art. 64 Strafr. bepaalt, door wien de klacht moet worden ingediend, indien een misdrijf, dat alleen op klachte vervolgbaar is, gepleegd is tegen iemand, die den leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt;

dat derhalve volgens de woorden van gemeld artikel de toepasselijkheid daarvan intreedt, indien tijdens het plegen van het misdrijf de getroffen persoon nog geen 16 jaren was;

dat voorts de vraag door wien alsdan de klacht moet geschieden in dien zin wordt beslist, dat de wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken daartoe wordt aangewezen;

dat vermits het klachtrecht zonder eenige beperking wat den duur betreft anders dan door het zijn van vertegenwoordiger aan dezen wordt toegekend en de toekenning van dat recht enkel is afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop het misdrijf voorvalt, de vertegenwoordiger bij uitsluiting van ieder ander tot het doen dier klachte wordt gerechtigd verklaard;

dat hierdoor weliswaar een uitzondering wordt gemaakt op het beginsel, dat bij, tegen wien het misdrijf gepleegd is, zelf tot klacht gerechtigd is, indien hij den leeftijd van 16 jaren heeft bereikt, doch zulks niet wegneemt dat art. 64 Strafr., de eenmaal aan den vertegenwoordiger gegeven bevoegdheid tot het indienen der klachte niet met het bereiken