Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op zijn broeder, J. B., te laten vallen en zich met zijn handen aan de stijlen van het portaal vast te klemmen, en J. M. S. door opzettelijk te rukken en den beambte Blaas bij diens borst te pakken, teneinde door al deze handelingen genoemde beambten te beletten hen uit de herberg te verwijderen; en met toepassing van art. 180 Strafr., ter zake van „wederspannigheid" zijn veroordeeld ieder tot 1 maand gevangenisstraf;

dat in hooger beroep het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 25 Febr. 1904, hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, bovengenoemd vonnis van de ArrontL-Rechtbank te Zierikzee heeft vernietigd en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke dagvaarding in deze zaak uitgebracht, heeft nietig verklaard op grond van de navolgende overwegingen:

„dat deze dagvaarding aan de daarin genoemde ambtenaren niet toeschrijvende, eenige in de rechtmatige uitoefening hunner bediening verrichte handeling, maar slechts het voornemen daartoe, noch vermeldt, ten opzichte van welke zoodanige werkzaamheid de aan de beklaagden ten laste gelegde daden, als het rukken, het zich op den vloer en op den broeder laten vallen, het zich met de handen aan de stijlen van het portaal vastklemmen, en het den beambte Blaas bij diens borst pakken, plaats grepen, noch in hoever deze daden verzet beoogden tegen door bedoelde ambtenaren ten aanzien van alle beklaagden beraamde maatregelen, of wel slechts ten aanzien van enkele hunner, en alsdan van wie;

dat derhalve de dagvaarding, als niet inhoudende eene omschrijving van de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten, genoegzaam duidelijk, om den rechter in staat te stellen tot de beraadslaging en de beslissing, voorgeschreven bij de artt. 211 en 221 Strafv., niet voldoet aan den in art. 143 van dat Wetboek op straffe van nietigheid gestelden eisch van te moeten bevatten „eene opgave van het feit" den beklaagde ten laste gelegd;

dat mitsdien de Rechtbank door op deze dagvaarding recht te doen, laatstgenoemd wetsartikel heeft geschonden;"

O. dat vervolgens de requiranten door den Off. van Justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Zierikzee opnieuw zijn gedagvaard om terecht te staan ter zake van dezelfde feiten, thans verduidelijkt overeenkomstig 'sHofs overwegingen;

dat de Arrond.-Rechtbank te Zierikzee die opnieuw ten laste gelegde feiten, bij vonnis van 31 Maart 1904 wettig en overtuigend heeft bewezen verklaard, met dien verstande, dat de twee eerste requiranten het verzet met vereenigde krachten hebben gepleegd en de derde requirant afzonderlijk; — dat die feiten zijn gequalificeerd en de requiranten deswege veroordeeld, zooals in het hoofd van dit arrest is vermeld;

dat dit vonnis in hooger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 23 Juni 1904, met ontvankelijkverklaring van den Off. van Justitie te Zierikzee in deze strafvervolging, is bevestigd doch vernietigd