Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Conclusie van den Adv.-Gen. Wijnveldt:

Gerequireerde werd op 18 November 1931 bij verstek, op 16 December 1931 na verzet bekrachtigd, door den Kantonrechter te Zalt-Bommel veroordeeld ter zake van het op 25 September 1931 te 12 % uur voormiddags te Brakel in staat van dronkenschap de orde verstoren door den rijksveldwachter den Dunnen te trappen en te slaan. De zaak diende op 31 Maart 1932 voor de Tielsche Rechtbank in hooger beroep, en deze Rechtbank de vonnissen van den kantonrechter vernietigend, verklaarde op 14 April 1932 den Ambt. O. M. bij het Kantongerecht te Zalt-Bommel niet-ontvankelijk in zijn vervolging, omdat verdachte bij vonnis van den Politierechter te Tiel op 4 November 1931 was veroordeeld, ter zake dat hij op hetzelfde tijdstip en op dezelfde plaats als hierboven gemeld dien rijksveldwachter had getrapt en geslagen. Dit laatste vonnis werd in hooger beroep op 21 Januari 1932 bevestigd en is in kracht van gewijsde.

Tegen het vonnis van 14 April 1932 teekende de heer requirant beroep in cassatie aan en stelt bij schriftuur als middel:

Verkeerde toepassing van art. 68 Sr., op grond dat naar zijne meening ten onrechte in het beroepen vonnis wordt overwogen, dat hier van „hetzelfde feit" sprake zou zijn.

Ter toelichting zegt de Officier van Justitie nog, dat hij meent in verband met de arresten van den H. R. van 8 en 15 Februari 1932 (N. J. 1932, 289, 292, 586) betreffende eendaadsche samenloop, dat de Rechtbank het begrip „feit" te veel in materieelen zin heeft opgevat, doch z.i. had moeten overwegen, dat hier twee juridische feiten zijn, het eene de mishandeling, het andere de ordeverstoring.

Ter beoordeeling van het middel is het noodig te vermelden dat de Rechtbank bij de behandeling van het hooger beroep heeft overwogen: „dat is komen vast te staan, dat reeds bij gewijsde van den Nederlandschen rechter onherroepelijk is beslist over het den verdachte thans bij inleidende dagvaarding te laste gelegde feit, waar toch éénzelfde materieel feit den grondslag der beide telasteleggingen vormt nu de mishandeling van den rijksveldwachter geheel opgaat in de thans telastegelegde verstoring der openbare orde;

dat derhalve, waar in casu vervolging ingevolge art. 68 Sr. is uitgesloten, het vonnis van den Kantonrechter te Zalt-Bommel op 18 November 1931 bij verstek tegen verdachte gewezen en dat van dien Kantonrechter van 16 December 1931 — waarbij het bij verstek gewezen vonnis is bekrachtigd — behooren te worden vernietigd en de Ambtenaar van het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn vervolging."

Zooals Mr. Taverne (N. J. 1932, 134) terecht opmerkt moet de ontwikkeling der rechtspraak — in verband met de nieuwe leer van den H. R. betreffende art. 55 Sr. — aan de hand van concrete beslissingen worden afgewacht.