Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gezien het afschrift van het arrest van het Gerechtshof te Arnhem de dato 21 Januari 1932, waarbij voormeld vonnis van den Politierechter te Tiel is bevestigd;

„Gezien de verklaring van den Griffier bij het Gerechtshof te Arnhem de dato 2 April 1932, dat tegen dit arrest geen cassatie is aangeteekend;

„O. dat uit den inhoud van voormelde stukken, alsmede door de verklaringen van den verdachte ter terechtzitting, is komen vast te staan, dat reeds bij gewijsde van den Nederlandschen rechter onherroepelijk is beslist over het den verdachte thans bij de inleidende dagvaarding telaste gelegde feit, waar toch éénzelfde materieel feit den grondslag der beide telasteleggingen vormt nu de mishandeling van den Rijksveldwachter geheel opgaat in de thans telaste gelegde verstoring der openbare orde;

„dat derhalve, waar in casu vervolging ingevolge art. 68 Sr. is uitgesloten, het vonnis van den Kantonrechter te Zalt-Bommel op 18 November 1931 bij verstek tegen verdachte gewezen en dat van dien Kantonrechter van 16 December 1931 — waarbij het bij verstek gewezen vonnis is bekrachtigd — behooren te worden vernietigd en de Ambtenaar O. M. alsnog niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn vervolging;"

O. ten aanzien van het middel:

dat inderdaad den gerequireerde, bij de in het bestreden vonnis opgenomen telasdeggingen, twee verschillende feiten worden verweten, en wel bij de dagvaarding vanwege den Ambtenaar O. M. bij het Kantongerecht te Zalt-Bommel uitgebracht, het in staat van dronkenschap in het openbaar de orde verstoren, waarbij het kenmerkende van het feit moet worden gezocht in den toestand waarin verdachte verkeerde toen hij de ordeverstorende handelingen pleegde en in den aard van de plaats waar die handelingen plaats vonden alsmede in de ordeverstoring zelve, terwijl bij het door den Officier van Justitie bij de Rechtbank te Tiel telastegelegde, het kenmerkende is gelegen in het voor den getroffene hinderlijke karakter van de door verdachte gepleegde handelingen en in de hoedanigheid van den getroffene;

dat hieruit volgt, dat de Rechtbank ten onrechte besliste: „ dat de mishandeling van den rijksveldwachter geheel opgaat in de thans telastgelegde verstoring der openbare orde", zoodat art. 68 Sr. vervolging wegens de overtreding van art. 426 Sr. ten deze niet uitsloot en de bestreden uitspraak mitsdien niet in stand kan blijven;

Vernietigt het bestreden vonnis, en

Rechtdoende krachtens art. 106 R. O.:

Verklaart den Ambtenaar O. M. bij het Kantongerecht te Zalt-Bommel ontvankelijk in zijne vervolging;

Verwijst de zaak naar de Arr.-Rechtbank te Tiel, ten einde haar met inachtneming van dit arrest op het bestaande hooger beroep verder te berechten en af te doen.

N. J. 1932, bl. 1659.