Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 7 Mei 1888.

Art. 82 W. v. Str.

Art. 82 is enuntiatief. De wetgever heeft bij het bezigen van de uitdrukking „zwaar lichamelijk letsel" zoodanige gevallen voor oogen gehad, waarin het toegebracht letsel een blijvend gevolg van ernstigen

Iaard heeft gehad, althans een zeer belangrijk nadeel heeft veroorzaakt. De Proe-Gen. bij het Gerechtshof te Arnhem is req. van cassatie tegen een arrest van dat Gerechtshof van den 3 Febr. 1888, waarbij is bevestigd een vonnis van de ArroncL-Rechtbank te Arnhem van den 6 Dec 1887, bij welk vonnis T. J. B. is schuldig verklaard aan mishandeling en, met toepassing van art. 300, al. 1, Strafrecht, veroordeeld. De adv.-gen. Gregory heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heer en President en Raden'. De gerequireerde was voor de Rechtbank te Arnhem gedagvaard ter zake „dat hij in den nacht van 12 op 13 Nov. 1887, opzettelijk J. A. li A. in diens woning aan het Nieuwland te Arnhem met een stuk hout op diens hoofd en arm (had) geslagen, zoodat hij een bloedende wonde aan het hoofd (had) bekomen en de arm gebroken (was)". De Rechtbank verklaarde deze feiten bewezen, veroordeelde den gereq. op grond van art. 300, le al. Sw., d. i. ter zake van mishandeling, tot eene gevangenisstraf van 4 maanden en beval tevens zijne ^vrijheidstelling. De meening der Rechtbank, dat er in deze van geen „zwaar lichamelijk letsel" sprake was, rustte op de volgende overweging:

„Overwegende, dat dit feit valt in art. 300 al. 1 Strafrecht, daar de Rechtbank van oordeel is dat, waar, gelijk in casu blijkens de verklaring van den deskundige S., alle waarschijnlijkheid bestaat, dat de verwonde na verloop van slechts 5 weken volkomen hersteld zal zijn en zijn gewone werk weder zal kunnen verrichten, bij in den zin der wet niet kan geacht worden zwaar lichamelijk letsel te hebben geleden; dat toch niet alleen de bij art. 82 Strafrecht enuntiatief aangehaalde gevallen wijzen op eene zwaardere categorie van feiten, maar ook uit art. 308 volgt, dat de wet¬

gever eene tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van beroepsbezigheden niet als zwaar lichamelijk letsel beschouwt". Het O. M., j dat in de bewezen verklaarde feiten het misdrijf zag van art. 300 al. 2, kwam van deze uitspraak in hooger beroep, doch het Gerechtshof te Arnhem bevestigde bij het beklaagde arrest hét vonnis des eersten