Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een of meer der oorlogvoerenden geen rekening wordt gehouden en Nederland zijns ondanks in den oorlog wordt betrokken.

Dit gevaar kan voorzeker aanwezig worden geacht bijaldien handelingen van voornoemde personen in zoo ernstige mate de gevoelens of belangen eener oorlogvoerende mogendheid aantasten, dat deze daarin aanleiding kan vinden om den Nederlandschen Staat voor die handelingen aansprakelijk te stellen. De Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam, is requirant van cassatie tegen een arrest van dat Gerechtshof no. 9640 a, b van den 31en Mei 1916, houdende bevestiging in hooger beroep van een Vonnis der Arrond.-Rechtbank aldaar van 14 Dec. 1915, bij hetwelk J. Chr. S., hoofdredacteur van het dagblad „de Telegraaf", van het hem te laste gelegde is vrijgesproken.

De adv.-gen. Ledeboer heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

In het bestreden arrest — (W. 9949) — is door het Hof vastgelegd: 1°. dat de woorden in de dagvaarding voorkomende, dat beklaagde ..... opzettelijk eene handeling heeft verricht waardoor de onzijdigheid van den Nederlandschen Staat in gevaar werd gebracht, niet zijn gebezigd als qualificatie, doch feitelijk uitdrukten een bestanddeel van het te laste gelegde feit; 2 '. dat die woorden aldaar zijn gebezigd in denzelfden zin, dien zij hebben in art. 100 Strafwetboek waaraan zij zijn ontleend.

Het arrest stelt dan vast, welke beteekenis naar 'sHofs oordeel in dat artikel moet gehecht worden aan de woorden „eenige handeling waardoor de onzijdigheid van den Staat wordt in gevaar gebracht" en als'wij die omschrijving, voor de in de telastelegging gebezigde woorden in de plaats stellen, blijkt deze derhalve naar'sHofs oordeel in te houden,

dat beklaagde opzettelijk eene handeling heeft verricht, welke

voor den Nederlandschen Staat oorlogsgevaar teweeg brengt, doordien zij in strijd is met zijne onzijdigheid en mitsdien aan eene oorlogvoerende partij gegronde reden geeft om de Nederlandsche regeering ter verantwoording te roepen.

Het Hof, beraadslagende en beslissende naar aanleiding van de dagvaarding, heeft derhalve beraadslaagd en beslist naar aanleiding van eene telastelegging van dezen inhoud.

Dit aldus te laste gelegde achtte het Hof niet bewezen, omdat naar zijn oordeel de Nederlandsche regeering niet terecht — en het bedoelt hier kenlijk mede, niet met gegronde reden, — ter verantwoording kan worden geroepen door eene oorlogvoerende partij, ter zake van den inhoud van een dagbladartikel — en om een dagbladartikel gaat het hier, — zoodat beklaagdes handeling voor den Nederlandschen Staat geen oorlogsgevaar heeft te weeg gebracht, daar zij niet was in strijd met diens onzijdigheid.