Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die toelichting geeft echter in haar geheel gelezen en ook in verband met de verdere schriftelijke gedachtenwisseling een geheel ander beeld. Zij stelt voorop, dat men wil treffen, aHe opzettelijke handelingen waardoor de neutraliteit wordt in gevaar gebracht. Op grond van een regel, dat een Staat niet aansprakelijk zou zijn voor de handelingen zijner onderdanen, buiten zijn weten verricht en door hem zoodra hij daarmede bekend is, ondubbelzinnig afgekeurd, wordt dan aangenomen, dat de neutraliteit zal geëerbiedigd blijven, als de regeering overtuigend kan aantoonen in elk opzicht haar plicht te hebben gedaan.

Onder eerbiediging van de neutraliteit wordt hier kenlijk verstaan, dat Nederland dan niet in een oorlog zal worden betrokken, geenszins, dat door zulke handelingen geen gevaar voor zoodanige gebeurtenis zou kunnen zijn ontstaan. Integendeel, want onmiddellijk daarop wordt er op gewezen, dat die gunstige uitkomst geene straffeloosheid voor den dader behoort mede te brengen, juist wegens de gevaren, waaraan men inmiddels is blootgesteld.

Geheel onafhankelijk van de vraag of terecht dan wel ten onrechte een dreigend optreden van eene oorlogvoerende mogendheid is ondervonden of kon worden ondervonden, is dus de strafbaarheid wegens het veroorzaakt gevaar, gedacht en gewild.

Geheel daarmede in overeenstemming is de gedachtengang in de memorie van antwoord, waar tegen de oppositie van eene minderheid, tot verhooging van de bedreigde straf, — welke minderheid n.1. van oordeel was, dat de onzijdigheid van een Staat die zijn plicht doet, niet door een particulier in gevaar kan worden gebracht, — werd opgemerkt, dat juist voor een klein land als het onze, het gevaar niet zoo geheel denkbeeldig was en dat misdrijven als hier bedoeld, licht aanleiding kunnen worden, Nederland in den oorlog te betrekken. Juist dat memoreeren van de kleinheid van het land, wijst er op, dat men meer dacht aan machtsgebruik, minder aan eene stricte toepassing van volkenrechtelijke bepalingen door de betrokken oorlogvoerende mogendheden.

De redeneering van de hier bedoelde minderheid is trouwens in zich zelve reeds zwak. Immers bij die motiveering, had de oppositie niet tegen de hoogte van de strafmaat, maar tegen de geheele strafbaarstelling gericht moeten zijn.

Ik kan dan ook het artikel niet anders lezen, dan dat daarin, — voor zoover thans van belang, — wordt strafbaar gesteld, het opzettelijk verrichten eener handeling, waardoor de eerbiediging van den wil van I den Staat, om buiten den oorlog te blijven, in gevaar wordt gebracht,

1 of zooals Prof. van Hamel (T. v. S. XXVI bl. 443) wil lezen:

waardoor voor den Staat gevaar ontstaat in den oorlog betrokken te worden.

Ongetwijfeld is de werkingssfeer van bet artikel dan zeer ruim, doch