Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederlandsche bladen. Niet het handhaven der neutraliteit moet ons doel zijn, doch slechts het middel tot het behoud van onze onafhankelijkheid, en een Regeering, die dit niet inziet, moge ons in veel te zachte termen een draai om de ooren geven, als het oogenblik daar is, dat gekozen zal moeten worden tusschen de Schande en de Eer, dan zullen wij eene Regeering, die weifelen mocht, zeker niet met „veel te zachte termen" behandelen, doch al onzen invloed aanwenden, dat zij geen minuut langer op de plaats geduld wordt, waar zij nooit had moeten zetelen"; zijnde gemeld nummer van dit dagblad in duizenden van exemplaren te Amsterdam en elders in den lande bij abonnés en onder het publiek verspreid;

O. dat het Hof, het vonnis der Rechtbank, waarbij de beklaagde van deze telastlegging was vrijgesproken bevestigende, wijl ook naar 's Hofs oordeel het te laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen, tot toelichting dier beslissing heeft aangevoerd:

dat het Hof de in de telastlegging voorkomende woorden: „dat hij opzettelijk eene handeling heeft verricht, waardoor de onzijdigheid van den Nederlandschen Staat in gevaar werd gebracht" — met welke woorden niet alleen het te laste gelegde feit wordt gequalificeerd, doch tevens een bestanddeel daarvan wordt uitgedrukt — in denzelfden zin opvat, dien zij hebben in art. 100 Strafr., waaraan zij zijn ontleend;

dat in voormeld artikel onder „eenige handeling, waardoor de onzijdigheid van den Staat wordt in gevaar gebracht", niet is te verstaan eene handeling, welke ook, waardoor het gevaar ontstaat, dat de Nederlandsche Staat in een tusschen andere mogendheden gevoerden oorlog wordt betrokken, doch uitsluitend eene handeling, welke voor den Nederlandschen Staat oorlogsgevaar teweeg brengt, doordien zij in strijd is met zijne onzijdigheid, en mitsdien aan eene oorlogvoerende partij gegronde reden geeft om de Nederlandsche regeering ter verantwoording te roepen;

dat deze opvatting steun vindt in de Memorie van Toelichting tot het meergemeld artikel uit welke immers blijkt, dat het eerste deel van art. 100, 1° betoogt tegen te gaan het schenden van de onzijdigheid van den Nederlandschen Staat dat wil zeggen — het plegen van daden met de onzijdigheid van dien Staat in strijd;

dat door het onderzoek ter terechtzitting nu wel is komen vast te staan, dat beklaagde ter plaatse, ten tijde en onder de omstandigheden als bij dagvaarding vermeld, opzettelijk in het aldaar nader aangeduide blad van het te Amsterdam verschijnend dagblad „de Telegraaf", waarvan hij de hoofdredacteur was, onder een ingezonden stuk heeft doen opnemen, een door hem gesteld onderschrift, waarin de bij dagvaarding vermelde zinnen voorkwamen, doch door die handeling van beklaagde de onzijdigheid van den Nederlandschen Staat niet in gevaar werd gebracht;