Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inmiddels is blootgesteld", terwijl anderzijds in het Voorloopig Verslag, op eene door de minderheid gemaakte opmerking, dat, wanneer de Staat zijn plicht doet, die onzijdigheid nimmer door een particulier kan worden in gevaar gebracht, werd geantwoord: „dat juist voor een klein land als het onze het gevaar niet zoo geheel denkbeeldig is";

O. dat voorts niet is aan te nemen, dat, waar de wetgever in art. 100 gedragingen van particulieren, welke hij voor de veiligheid van den Staat gevaarlijk achtte, wilde strafbaar stellen, hijzelf die bepaling voor een deel doelloos zou hebben gemaakt, door haar in het eerste gedeelte van lid 1 te beperken tot zoodanige handelingen, welke door het volkenrecht worden gewraakt;

O. dat den gerequireerde derhalve bij de dagvaarding is te laste gelegd, dat bij op de daarbij omschreven wijze opzettelijk het gevaar heeft doen ontstaan, dat een of meer der oorlogvoerende mogendheden de tot dusver erkende onzijdigheid van den Nederlandschen Staat niet meer zouden eerbiedigen en Nederland in den tusschen haar gevoerden oorlog zouden betrekken;

dat echter 's Hofs onderzoek, blijkens de hiervoren weergegeven overwegingen van het bestreden arrest, over een anderfeitheeft geloopen, namelijk over het verrichten door den beklaagde eener met de onzijdigheid van den Nederlandschen Staat strijdige handeling, welke, als aan eene oorlogvoerende partij gegronde reden gevende om de Nederlandsche Regeering ter verantwoording te roepen, voor den Nederlandschen Staat oorlogsgevaar deed ontstaan;

dat alzoo 's Hofs uitspraak, als niet berustende op een rechtens niet bewezen zijn van het den beklaagde in werkelijkheid te laste gelegde of van beklaagdes schuld daaraan, niet is eene vrijspraak in den zin van art. 347 Strafv., zoodat het beroep ontvankelijk is;

O. voorts ambtshalve:

dat, gelijk uit het voorgaande volgt, het Hof niet heeft gegeven eene beslissing over het al dan niet bewezene der telastlegging en over gerequireerde's schuld daaraan, waardoor in verband met art. 239 zijn geschonden de artt. 211 en 221 Strafv., waartegen art. 223 van dat Wetboek nietigheid bedreigt;

Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, den 31 Mei 1916 onder no. 9640 a, b 'va. deze. zaak gewezen;

Recht doende krachtens art. 106 R. O.:

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ten einde op het bestaande hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

W. 10012.