Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zoodanig karakter, dat daarin wordt opgeruid tot het onbevoegd zich op den openbaren weg en op voor het publiek toegankelijke plaatsen een wapen bij zich hebben en tot het zich met geweld met meerdere personen met vereenigde krachten verzetten tegen ambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, ofschoon die zinsnede beschouwd in verband met het geheele artikel en ook niet wanneer zij uit dat verband worde losgerukt, een daartoe opruiend karakter heeft;

Overwegende, dat aan de requirante bij dagvaarding is te laste gelegd, dat zij in het blad „De vrije Socialist" op of omstreeks den 31sten Mei 1902 te Amsterdam verschijnende en te Amsterdam en elders in den lande onder de abonné's van dat blad alsmede onder andere personen onder het publiek openlijk verspreid en voor een ieder verkrijgbaar gesteld, heeft doen opnemen na te noemen door haar gesteld en onderteekend geschrift, als opschrift voerende: „Te wapen burgers", waardoor zij toen aldaar bij dat op voorschreven wijze verspreid geschrift in het openbaar bij geschrifte tot strafbare feiten opgeruid heeft immers tot het onbevoegd zich op den openbaren weg en op voor het publiek toegankelijke plaatsen een wapen bij zich hebben, tot het openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen en tot het zich met geweld met meerdere personen met vereenigde krachten verzetten tegen ambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, luidende dat geschrift o. m., gelijk nader in de bedoelde dagvaarding werd omschreven;

dat deze feiten bij het in hooger beroep bevestigde vonnis der Rechtbank wettig en overtuigend zijn bewezen verklaard met dien verstande, dat de Rechtbank in het geïncrimineerd geschrift niet aanwezig achtte eene opruiing tot het openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen;

O. alsnu met betrekking tot het eerste middel:

dat uit den boven omschreven inhoud der dagvaarding volgt, dat daarbij is te laste gelegd het bepaalde feit van opruiing, strafbaar gesteld bij art. 131 Strafrecht, terwijl daarnevens vermeld worden de afzonderlijke handelingen, die door de requirante zouden gepleegd zijn en die te zamen en in onderling verband het ééne feit van opruiing zouden uitmaken;

dat hierdoor voldaan is aan den eisch, in art. 143 Strafvord. gesteld; terwijl er geene reden is om hetzij door het woord opruien enkel te beschouwen als eene qualificatie, hetzij door het woord waardoor alleen te doen terugslaan op het onmiddellijk voorafgaande woord geschrift de dagvaarding zoo op te vatten, dat daarbij enkel zou Zijn ten laste gelegd het doen opnemen van een geschrift in een blad onafhankelijk van het daarmede één geheel vormend feit van opruiing;

O. met betrekking tot het tweede middel:

dat uit den aard der zaak bij de plaatsing van eenig geschrift in een