Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 16 October 1916.

Art. 138 W. v. Str.

Een kerkhof kan een erf zijn.

E. A. H., is requirant van cassatie, voor zoover hij daarbij is veroordeeld, tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 Mei 1916, waarbij in hooger beroep, met bevestiging van het vonnis der Arrond.Rechtbank te Utrecht van 14 Febr. 1916 voor wat betreft het bij inleidende dagvaarding primair aan den beklaagde te laste gelegde, dit vonnis werd vernietigd voor wat betreft het bij inleidende dagvaarding subsidiair te laste gelegde, de requirant deswege werd schuldig verklaard aan „in het besloten erf bij een ander in gebruik wederrechtelijk vertoevende, zich niet op de vordering vanwege den rechthebbende aanstonds verwijderen", en, met toepassing der artt. 23 en 138 Strafr., veroordeeld tot eene geldboete van ƒ 1 en vervangende . hechtenis van één dag.

Uit de conclusie van den adv.-gen. Tak. Edele Hoog Achtbare Heeren!

Requirant werd voor de Arrond-Rechtbank te Utrecht ter verantwoording geroepen ter zake: „dat bij, op of omstreeks den 14en April 1915, te Utrecht, wederrechtelijk op de begraafplaats van de Nederlandsen Israëlitische Gemeente te Utrecht, zijnde die begraafplaats een besloten erf, kenbaar van de omgeving afgescheiden en bij voormelde Nederlandsch Israëlitische Gemeente, de rechthebbende, in gebruik, is binnengedrongen, hebbende hij immers bovenbedoelde begraafplaats betreden zonder lid te zijn van die Nederlandsch Israëlitische Gemeente en niettegenstaande hem van wege het Kerkbestuur dier Gemeente uitdrukkelijk de toegang tot die begraafplaats reeds vroeger was verboden en op last van gemeld Kerkbestuur door den koster S. S. die toegang hem alsnog vóór het betreden, op tijd en plaats bovengemeld, werd geweigerd — in ieder geval ter zake: dat hij, op tijd en plaats als gemeld, wederrechtelijk op die begraafplaats vertoevende, zich met aanstonds op de vordering van den koster, S. S., en herhaald door den agent van politie D. v. d. W., van wege voormeld Kerkbestuur, als rechthebbende, heeft verwijderd." J .

Van de op 14 Febr. 1916 door gemelde Rechtbank gegeven vrijspraak kwam de Officier van Justitie in hooger beroep, met dit gevolg, dat het Gerechtshof te Amsterdam op 18 Mei jL, W. 9957, de aangevallen beslissing handhaafde ten aanzien der primaire telastelegging, doch naar