Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de opgave van den rechtsgrond dier bepaling aan de Tweede Kamer, toen het heette, dat zij alleen het recht verzekerde van hen, die er „moeten" zijn om te begraven, of die er gebruik van „moeten" maken, blijkt van een hinken op twee gedachten en van een bijster zijn van het spoor. Bijster hierom, omdat art. 625 B. W. een souverein recht van eigendom erkent, dat slechts gebreideld mag worden door wet of verordening der daartoe bevoegde macht. Waar nu de wetgever niet heeft ingegrepen, geldt dit recht onveranderd ook voor kerkhoven en is mitsdien de bescherming der strafwet tegen overschrijding van recht als door requirant gepleegd mede aan begraafplaatsen verzekerd. (Vgl. voor geschiedenis Begraafwet, Hoog, blz. 409).

De onjuistheid der grieven sluit echter nog geen volledige instemming met het arrest in zich.

Aan de hand van haar „reglement", waarin, al blijkt niet van voorlezing daarvan in de beide feitelijke instanties, ieder zichtbaar vlijtig heeft gestudeerd, moet ik Uwen Raad, ter ontwikkeling van een ambtshalve voor te stellen middel, een beknopt overzicht geven van enkele bepalingen, die voor de Nederlandsch Israëlitische gemeente te Utrecht bindend zijn.

Volgens art. 99 vormt eene commissie van drie leden, die door den Kerkeraad worden benoemd, het Kerkbestuur, terwijl, naar luid van art. 117, de uitvoering der besluiten van dit bestuur aan den naar art. 105 aangewezen voorzitter is opgedragen in overleg met het Kerkbestuur zelve. Tot de uitdrukkelijk aan dit dagelijksch- of Kerkbestuur gegeven bevoegdheden behoort nu ex art. 246 het recht, om desgewenscht aan hen, die geen leden der gemeente zijn, den toegang tot de begraafplaats te verbieden.

Gelijk ik reeds zeide, werd dit reglement als geheel niet ter kennis van den feitelijken rechter gebracht. Alleen den inhoud van art. 246 vernam hij van den getuige van L. en daaruit kon en mocht bij de bevoegdheid van het Kerkbestuur afleiden, om aan requirant, van wien vaststond, dat bij geen lidmaat der gemeente meer was, het betreden der begraafplaats te verbieden, terwijl hij tevens hierop en op de aanwijzingen, geput uit de getuigenverklaringen en de erkentenis van beklaagde, dat dit besluit hem door genoemd bestuur was bericht, gevoegd bij het oordeel over de gevoerde en terzijde gestelde verdediging, Jde beslissing kon doen steunen, dat het verblijven of vertoeven wederrechtelijk was. Tot zoover is dus alles in den haak.

Echter vroeg ik mij reeds bij de enkele lezing van het arrest af of, zooals het Hof aanneemt, een lid van het Kerkbestuur wel namens dat bestuur opdracht kon geven, ter uitvoering van besluiten, gelijk onderwerpelijk geschied was door den heer van L., die blijkens de beslissing op en omstreeks 14 April 1915 louter thesaurier was. Daartoe immers, zoo meende ik, zou óf van eene uitdrukkelijke opdracht moeten blijken, óf eene reglementaire bevoegdheid bestaan en zoo dit het geval niet zijn