Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mocht, achtte ik bij uitstek den voorzitter met de uitvoerende macht bekleed. Nu zwijgt het arrest over eene opdracht aan den heer van L. door het Kerkbestuur en het moest dit wel doen, daar zij in strijd zijn Zou met art, 117, dat deze materie zelf regelt en, met uitsluiting van anderen, den voorzitter als uitvoerder aanmerkt, na voorafgaand overleg met het Kerkbestuur. Waar nu de heer van L. geen voorzitter was, doch Mr. H., gelijk de Officier van Justitie mij ten overvloede nog schriftelijk mededeelde, al blijkt dit ook uit het dossier, had dus de eerste den koster niet mogen gelasten requirant den toegang tot de begraafplaats te weigeren. Nu bij dit echter toch deed, was het verblijven van beklaagde wel wederrechtelijk, doch behoefde hij zich aan des kosters bevel niet te storen en evenmin aan dat van den politieagent van de Weerd, daar beide hunne bevoegdheid slechts ontleenden aan den tot het geven dier opdracht onbevoegden thesaurier, Zoodat de vordering tot verwijdering niet „van wege den rechthebbende" geschiedde.

Daar Uw Raad echter geen vrijspraak kan geven, zal verwijzing noodzakelijk zijn.

Wegens schending der artt. 211 en 221, in art. 223 met nietigheid bedreigd, in verband met de bepaling van art. 247 Strafv., concludeer ik mitsdien ambtshalve tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof, ten einde haar, daarbij de gegeven vrijspraak onaangetast latend, op het bestaande hooger beroep op nieuw te berechten en af te doen.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie, zooals die bij pleidooi namens hem nader zijn geformuleerd: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij het bestreden arrest ten laste van den requirant als bewezen is aangenomen, dat bij op 14 April 1915 te Utrecht op de begraafplaats van de Nederlandsch-Israèlitische Gemeente te Utrecht, zijnde die begraafplaats een besloten erf, kenbaar van de omgeving afgescheiden en bij de voormelde Nederlandsch Israëlitische gemeente, de rechthebbende, in gebruik, wederrechtelijk vertoevende, zich niet aanstonds op de vordering van den koster, S. S., en herhaald door den agent van politie D. van de W. vanwege voormeld Kerkbestuur dier gemeente, als rechthebbende, heeft verwijderd;

O. wat betreft het tweede middel en het eerste gedeelte van het derde:

dat in het arrest, als door twee getuigen verklaard, is opgenomen: „dat het kerkhof der Nederlandsch Israëlitische gemeente te Utrecht is een afgesloten geheel, en van de belendingen en van den openbaren weg geheel afgescheiden" door heggen, muren en een hek, zoodat, indien het alzoo omschreven kerkhof valt onder de uitdrukking „erf" in art. 138 Strafr., het arrest op dit punt voldoende met redenen