Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat deze bewezen verklaarde feiten opleveren het misdrijf van deelneming aan eene bij de wet verboden vereeniging, gepleegd door 3 vereenigde bestuursleden, waarop straf is gesteld bij art. 140, 2e en 3e lid, Strafrecht, in verband met de artt. 2 en 3, aanhef en no. 1, der wet van 22 April 1855 (Stbl. no. 32);

dat voorts nog met betrekking tot de qualificatie in de 23e overweging van het arrest is beslist;

„dat de bewezen verklaarde feiten bij dagvaarding ten onrechte mede 'Zijn beschouwd als op te leveren het misdrijf van deelneming aan eene vereeniging, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij het le lid van art. 140 Strafrecht";

O. dat hiertegen is gericht het middel van cassatie;

O. daaromtrent, dat het op zich zelf is weinig aannemelijk, met het oog op de blijkbare tegenstelling tusschen het le en het 2e lid van art. 140 Strafrecht, dat eene in het 2e lid bedoelde, bij de wet van 22 April 1855 (Stbl. no. 32) verboden vereeniging tevens zoude vallen onder het bereik van het le lid als eene vereeniging, waaraan de deelneming bij het wetboek zelf strafbaar wordt gesteld;

dat dan ook dit le lid, volgens zijn woordelijken inhoud, niet toepasselijk is op deelneming aan de vereeniging, waarvan de strekking volgens 's Hofs feitelijke beslissing vaststaat;

dat toch volgens deze beslissing die vereeniging, niet in het leven geroepen, niet opgericht of ingericht tot het plegen van misdrijven, dit alzoo ook niet tot naaste doel heeft;

dat nu de uitdrukking „oogmerk" in art, 140, le lid, evenals in het zeer groot aantal andere artikelen van het wetboek waarin zij voorkomt, in overeenstemming met haar taalkundige beteekenis en den daarvan aan het slot van § 5 der Algemeene Beschouwingen van de Mem. van Toel. aangegeven zin, steeds te kennen geeft het „naaste doel" der handeling, met andere woorden het doel dat men bepaald beoogt, als men haar verricht;

dat derhalve, om deelneming aan eene vereeniging te doen vallen onder art, 140, le lid, bet niet voldoende is, dat die vereeniging zich een einddoel voorstelt, dat onder zekere omstandigheden alleen bereikt kan worden door het plegen van misdrijven, maar dat daarentegen voor de toepasselijkheid dezer strafbepaling wordt vereischt dat de vereeniging, in het leven geroepen of feitelijk werkzaam om misdrijven te plegen, dit ook tot oogmerk of naaste doel heeft;

O. dat deze op de woorden der strafbepaling berustende verklaring steun vindt in hare geschiedenis;

dat toch ter toelichting van art. 149 (thans art. 140) van het oorspronkelijk Regeeringsontwerp ten aanzien van het le üd werd gezegd, dat, vermits het „complot" reeds was strafbaar gesteld bij de artt. 103 (thans 96) en 111 (thans 103), „hier bepaald in aanmerking (komt) de „asso-