Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. F. W., 2°. G. van B., zijn requiranten van cassatie tegen een te hunnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem, van den 25en Sept. 1919, waarbij in hooger beroep, met vernietiging van een vrijsprekend vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Zutphen, van 21 Mei 1919, de requiranten werden schuldig verklaard aan „openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen", en, met toepassing van art. 141 Strafr., werden veroordeeld.

De adv.-gen. Tak heeft de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heerenl

Overeenkomstig de inleidende dagvaarding verklaarde het Gerechtshof te Arnhem, op 25 Sept. 1919, ten aanzien van requiranten wettig en overtuigend bewezen: „dat beide beklaagden den 2en April 1919, te Deventer, op een afgerasterd stuk grond, gelegen aan den openbaren weg, Parkweg, op welken weg en grond zich eene groote volksmenigte bevond, die het verkeer op dien weg beiemmerde, opzettelijk openlijk met vereenigde krachten geweld hebben gepleegd tegen den aldaar in uniform dienstdoenden surveilleerenden agent van politie, tevens onbezoldigd Rijksveldwachter J. T., die een zich in die menigte bevindenden persoon, welke den ter handhaving der openbare orde aldaar aanwezigen agent van politie G. W. met een steen had gegooid en verwond, te dier zake wilde arresteeren en zich naar dien persoon begaf door, mede in vereeniging met andere onbekend gebleven personen, eerstgenoemden agent van politie met geweld vast te grijpen, op den grond te werpen, te slaan en te duwen."

Tegen die beslissing nu, waarbij zij werden schuldig verklaard aan: „Openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen" en deswege veroordeeld — zulks met vernietiging eener door de Arrond.-Rechtbank te Zutphen op 21 Mei bevorens gegeven vrijspraak — in eene gevangenisstraf van zes maanden, hebben de requiranten zich van cassatie voorzien, ter ondersteuning van dit beroep bij tijdig ingediende memorie aanvoerende: 1°. dat de ten laste gelegde feiten niet de daarop toegepaste qualificatie veroorloven; 2°. dat het doel der daders niet was openlijke geweldpleging tegen de politie; 3°. dat onderwerpelijk wederspannigheid werd gepleegd; 4°. dat niet blijkt, dat het Hof gelet heeft op de door de getuigen a décharge afgelegde verklaringen.

Beginnend met het laatste middel mag ik daaromtrent verwijzen naar de vaste jurisprudentie van Uwen Raad, waarbij is aangenomen, dat de beslissing des Rechters niet behoeft "te vermelden, waarom het bewijs niet door tegenbewijs is ontzenuwd, zoodat deze klacht niet gerechtvaardigd is.

Een zelfde oordeel heb ik omtrent de andere grieven.