Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot recht verstand daarvan moet ik Uwen Raad aan de hand van het beklaagde arrest eene beknopte uiteenzetting der feiten geven.

Op den openbaren Parkweg te Deventer had tich eene groote volksmenigte verzameld, die samenschoolde voor eene aldaar gelegen woning. De politie maande met woord en daad aan tot doorloopen ten einde het geregeld verkeer te handhaven, waarop verscheidene samenrottenden over eene afrastering sprongen en vervolgens met steenen naar de dienstdoende agenten wierpen. Achter de afrastering, zegt de beslissing, bevond zich een open bouwterrein en zij bestond uit op eenigen afstand van elkaar geplaatste paaltjes, waartusschen ijzerdraad was gespannen, terwijl hetgeen op dit open bouwterrein voorviel zeer goed van den openbaren weg af waarneembaar was.

Toen nu een der handhavers der openbare orde door een steenworp getroffen werd, begaf diens ambtgenoot zich naar den dader op het afgesloten terrein, doch vóór hij kans had hem te arresteeren, lag hij reeds, gewelddadig aangegrepen door een aantal kwaadwilligen, ter aarde.

De vraag is nu, of deze daad terecht als openlijk geweld is gequalificeerd.

Ik zou haar bevestigend willen beantwoorden. Blijkens het opschrift boven den titel, waarin art. 141 geplaatst werd, is het een misdrijf tegen de openbare orde en in overeenstemming daarmede heeft Uw Raad in een tweetal arresten — 12 April 1897, W. 6955, 2 Maart 1908, W. 8674 — als maatstaf voor eene veroordeeling gevorderd, dat het geweld inbreuk moet maken op de openbare orde en zich moet uiten door niet heimelijk bedreven feiten. Hieruit volgt — ik herinner hierbij aan het Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord op art. 131 (Smidt, Strafwetboek, II, blz. 68 en 69) —, dat het voldoende is, wanneer het geweld op eene publieke plaats voor eene daar verzamelde volksmenigte waarneembaar is, daar dan de openbare orde, die in art. 141 bescherming vindt, gevaar loopt.

Keer ik nu terug tot de feiten, dan lijken mij deze eene veroordeeling wel te rechtvaardigen. De volksmenigte op den openbaren weg dreigend, sarrend en het verkeer belemmerend en onmiddelüjk ter zijde van dien weg een niet noemenswaardig afgesloten, gemakkelijk toegankelijk en overzienbaar terrein, waarop de noodige kwaadwilligen metterdaad het openbaar gezag tartend en mogelijk handtastelijkheden niet schuwend.

Hier was werkelijk de „Landsfriedenbruch", de „force ouverte" en niet het daarmede in nauw verband staande misdrijf van wederspannigheid met vereenigde krachten voorhanden, waar het doel der daders kennelijk door het Hof is aangenomen op grond hunner handelingen in verband met de situatie van het oogenblik, terwijl voorts uit niets is af te leiden, dat dit opzet inderdaad gespitst was hetzij op verzet, hetzij op het beletten eener ambtelijke verrichting.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep.