Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, voorgesteld door den eersten requirant bij memorie, nader toegelicht bij pleidooi, en namens den tweeden requirant bij pleidooi, luidende: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij het bestreden arrest met qualificatie en strafoplegging als hierboven vermeld, ten laste van de requiranten wettig en overtuigend bewezen werd aangenomen, dat zij den 2en April 1919, te Deventer, op een afgerasterd stuk grond, gelegen aan den openbaren weg, Parkweg, op welken weg en grond zich een groote volksmenigte bevond, die het verkeer op den weg belemmerde, opzettelijk, openlijk met vereenigde krachten geweld hebben gepleegd tegen den aldaar in uniform dienstdoenden surveilleerenden agent van politie, tevens onbezoldigd rijksveldwachter, J. T., die een zich in die menigte bevindenden persoon, welke den ter handhaving der openbare orde aldaar aanwezigen agent van politie G. W. met een steen had gegooid en verwond, te dier zake wilde arresteeren, en zich naar den persoon begaf, door mede in vereeniging met andere onbekend gebleven personen, eerstgenoemden agent van politie met geweld vast te grijpen, op den grond te werpen, te slaan en te duwen;

O. nu, ten aanzien van de middelen van cassatie:

dat het eerste middel hierop is gegrond, dat, terwijl voor het misdrijf van art. 141 Strafr. noodig is, dat de openbare orde verstoord, het geweld openlijk gepleegd zij, de te laste gelegde en bewezen verklaarde feitelijkheden zijn gepleegd op een afgerasterd, voor het publiek blijkbaar (en ook inderdaad) niet-toegankelijk terrein, zoodat daardoor de feitelijkheden geheel haar karakter van openbaarheid en openlijkheid verliezen en op dat terrein geen openbare orde kan worden verstoord;

O. hieromtrent:

dat voor de toepasselijkheid van art. 141 Strafr. noodig is, dat het daarin omschreven geweld openlijk zij gepleegd, dus dat daardoor inbreuk zij gemaakt op de openbare orde;

dat met openlijk geweld, blijkens de geschiedenis van het artikel, bedoeld is geweld, dat zich onverholen door niet heimelijk bedreven feiten heeft geopenbaard, de force ouverte van art. 440 van den Code Pénal: „l'emploi public et flagrant de violence", openbaar geweld dus, met uitbreiding echter van laatstgemeld artikel gepleegd zoowel tegen personen als tegen goederen, terwijl het karakter van aanranding der openbare orde nog meer uitkomt door de plaatsing van art. 141 Strafr. in den titel van de misdrijven daartegen gericht;

dat aan die vereischten de bewezen feiten volkomen voldoen;

dat toch blijkens het arrest feitelijk vaststaat, dat te Deventer, toen zich een groote volksmenigte bevond op den openbaren weg, Parkweg, en een onmiddellijk daaraan gelegen afgerasterd stuk grond, en die menigte het verkeer op den weg belemmerde, terwijl de politie op den weg werk-