Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eveneens opzettelijk in brand heeft gestoken, waarvan gemeen gevaar voor goederen — de lading van dat vaartuig en dat vaartuig zelf — en levensgevaar voor een ander, den mede opvarende van dat vaartuig A. J. H., te duchten was, waarbij beklaagde tevens het oogmerk had om zich ten nadeele van de verzekeraars — het syndicaat M. van Marle en twaalf andere Verzekerings-Maatschappijen, die in het risico deelden, bij wie de in voormeld vaartuig, in voege als voorschreven geladen hoeveelheid lijnolie ten name en ten behoeve van hem, beklaagde, was verzekerd voor eene som van ƒ 10.000 voor alle schaden, ingeval van een ongeluk, aan dat vervoermiddel overkomen, — wederrechtelijk te bevoordeelen, zulks door aan voormelden K. E. S. een som gelds van ƒ 2000 althans eenig geld met vooromschreven bedoeling te geven of te beloven, tengevolge waarvan S. op of omstreeks 11 Febr. 1916 opzettelijk met lucifers brand ontstak in op het vaartuig in een der ruimen aanwezige benzine in ieder geval deze benzine of de lading van dat vaartuig of andere daarin aanwezige goederen met vuur in aanraking bracht, zoodat het motorschip „Speculant" geheel uitbrandde en de daarin aanwezige lading en andere goederen geheel of nagenoeg geheel verbrandden;

O. dat het Hof hiervan, — met qualificatie en strafoplegging als voormeld — als bewezen heeft aangenomen, dat requirant te Rotterdam en elders in Nederland omstreeks de maand Dec. 1915 en het jaar 1916 opzettelijk heeft uitgelokt, dat K. E. S. opzettelijk brand heeft gesticht in de lading van het motorschip Speculant, bestaande uit 93 vaten lijnolie en verschillende hoeveelheden margarine en rubberafval, waarvan gemeen gevaar voor goederen — de lading van dat vaartuig en dat vaartuig zelf — te duchten was, zulks door aan voormelden K. E. S. een som gelds van ƒ2000 met de bedoeling, dat deze dien brand zou stichten, te beloven, tengevolge waarvan S. op 11 Febr. opzettelijk met lucifers brand ontstak in op gezegd vaartuig in het ruim aanwezige benzine, zoodat het motorschip Speculant geheel uitbrandde en de daarin aanwezige lading nagenoeg geheel verbrandde;

O. dat het tweede en derde middel, luidende: „II. Schending der artt. 47 en 157 aanhef en 1°. Strafr., doordien het Hof heeft beslist, dat hier gemeen gevaar voor goederen was te duchten, terwijl uit de bewezen verklaarde feiten blijkt, dat van zoodanig „gemeen" gevaar geen sprake kon zijn." „III. (Subsidiair). Schending derzelfde artikelen in verband met art. 221 Strafv., doordien 's Hofs arrest niet voldoende met redenen is omkleed ten aanzien van het „gemeen" zijn van het te duchten gevaar, berust op zuivere appreciatie," hierop steunen, dat de ten deze bewezen brandstichting in de lading van een schip als de Speculant niet oplevert gevaar voor de algemeene veiligheid van goederen, welke bestaan moet om „gemeen" gevaar te kunnen aannemen, in ieder geval aanwezigheid van zoodanig gevaar niet is gemotiveerd;

O. hieromtrent: