Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslissing des rechters. Want wel wordt in het bevestigd vonnis te kennen gegeven, dat in dit geval van belofte geen sprake is, omdat daarvan het kenmerk is, dat daaraan later wordt voldaan, — welk kenmerk dan hier zou ontbreken, — maar kenlijk wordt hier een „later Voldoen" uitgesloten geacht, op grond, dat volgens 's rechters opvatting bij „later voldoen" gedacht zou moeten worden aan eene handeling verder verwijderd dan de allernaaste toekomst. Die onderscheiding acht ik door het begrip „belofte" niet geboden. (De H. R. verg. zijn arrest van 24 Nov. 1890 W. 5969 en de aanteekeningen in Tijdschrift voor Strafrecht Dl. I bl. 546 en V bl. 497, voorts arrest Hof 's-Hertogenbosch 27 April 1910 W. 9037).

Ik acht het middel alzoo gegrond en concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen voor zoover daarbij ook werd bevestigd de, bij het vonnis in eersten aanleg uitgesproken, niet strafbaar verklaring van het bewezen feit en het daarbij gegeven ontslag van rechtsvervolging en dat de Hooge Raad verder ook bedoeld vonnis op die punten zal vernietigen, het bewezene zal qualificeeren als: een ambtenaar eene belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, iets na te laten, den beklaagde schuldig zal verklaren aan dat feit en hem met toepassing van de artt. 23 en 177 Strafwetboek zal veroordeelen tot eene geldboete van ƒ10, met bepaling, dat de boete bij niet betaling binnen twee maanden na de uitspraak van dit arrest, zal worden vervangen door hechtenis van 10 dagen.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij bet bevestigde vonnis in overeenstemming met de telastlegging wettig en overtuigend bewezen is verklaard, met gerequireerdes schuld daaraan: dat hij op 7 April 1915 te Buitenpost den aldaar surveilleerenden brigadier J. de Vries en den marechaussée A. Bosman, beiden van de brigade Buitenpost der KdninUjke Marechaussée, een gulden heeft aangeboden met het oogmerk om die ambtenaren te bewegen in hunne bediening in strijd met hun plicht na te laten van de door hen van te voren geconstateerde overtreding van het Motor- en Rijwielreglement, gepleegd door hem, beklaagde, proces-verbaal op te maken of daarvan aangifte te doen;

dat wijders de gerequireerde bij gemeld vonnis is ontslagen van alle rechtsvervolging wijl het bewezene niet strafbaar is, terwijl meer bepaald ten aanzien van art. 177 Strafr. werd overwogen: „dat het aanbieden van eenig geldswaardig bedrag in den zin zooals dat in casu is geschied, wel slechts met woorden en niet metterdaad, niet kan worden aangemerkt als het doen van een gift, terwijl bier ook van het doen van een belofte — waaraan eerst later zou worden voldaan — geen sprake is"; voorts: „dat