Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht bedoeld is, waarom aan het zwakkere woord „vragen" de sterke beteekenis van „vorderen" moet worden toegekend;

dat ten slotte nog een argument voor deze opvatting te putten is uit het feit, dat wanneer een verdachte wordt gevraagd naar zijn naam en daartoe staande gehouden, ingeval hij een valschen naam opgeeft, waarbij hij dus den ambtenaar misleidt, volgens art. 435, 3°. Sr. zich schuldig maakt aan eene overtreding, terwijl hij niet medewerkend als verdachte aan het vaststellen van zijne identiteit door te weigeren zijn naam op te geven, zich reeds zou schuldig maken aan het misdrijf van art. 184 Sr. door opzettelijk niet te voldoen aan eene vordering krachtens wettelijk voorschrift door den bevoegden ambtenaar gedaan of door belemmering van diens handelingen, zoodat op het mindere een zwaardere straf zou staan dan op het meerdere;

dat derhalve het bewezen verklaarde niet strafbaar is krachtens art. 184 Sr., noch krachtens eenige andere wetsbepaling";

O. dat 's-Hofs oordeel over de strafbaarheid van het bewezene als volgt is gemotiveerd:

„dat binnen de door de wet gestelde perken, aan een opsporingsambtenaar het recht moet toekomen om op te sporen en dat daartoe in de eerste plaats behoort het zich op de hoogte stellen van de identiteit van een verdachte;

dat krachtens art. 52 Sv. die ambtenaar deze bevoegdheid kan uitoefenen door van den verdachte te vorderen dat deze zijn naam opgeve;

dat nu wel in art. 52 niet wordt gesproken van „vorderen" maar van „vragen", doch dat het onaannemelijk is, dat in deze bepaling het recht van vragen niet in zich zou stuiten het recht om antwoord te verlangen;

dat, ware het anders, het geheele artikel ongeschreven had kunnen blijven, temeer, omdat voor de zeer bijzondere gevallen waarin het in die veronderstelling eenig nut zou kunnen hebben, geen algemeene bepaling zou zijn gewettigd;

dat bierbij nog in het oog valt te houden, dat van dengeen, die naar zijn naam wordt gevraagd, niet wordt gevergd bewijsmateriaal tegen zich zelf te verschaffen en dat het bestaan van de strafbepaling van art. 435, 3° de opvatting van het Hof bevestigt, eensdeels omdat bij dit wetsvoorschrift het niet voldoen aan een „vraag" uitdrukkelijk strafbaar is gesteld, anderdeels, omdat een verzwakking van de repressie onder de in de gemelde bepaling genoemde omstandigheden voor de hand ligt, nu het daar niet betreft alleen het recht van den opsporingsambtenaar maar van ieder bevoegd gezag;

dat derhalve de opsporingsambtenaar, die in het onderhavig geval niet alleen aan de verdachte vroeg om haar naam op te geven, maar ook antwoord eischte, handelde volgens wettelijk voorschrift en dat de verdachte, die weigerde haar naam te zeggen, aan de door den ambtenaar gedane vordering opzettelijk niet voldeed";