Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. nu betreffende het cassatiemiddel:

dat voor strafbaarheid krachtens art. 184 Sr., voorzoover het artikel op een geval als het onderhavige betrekking zou kunnen hebben, in elk geval vereischt is dat in feitelijken zin een bevel of vordering is gedaan, hetgeen bij het enkel doen van een vraag geenszins het geval is;

dat het Hof echter, blijkens hetgeen hiervoren uit het arrest is overgenomen, kennelijk de telastelegging in haar geheel zóó heeft verstaan — welke opvatting als met de bewoordingen der dagvaarding niet onvereenigbaar in cassatie moet worden geëerbiedigd — dat de opsporingsambtenaar niet bloot naar den naam heeft gevraagd, doch bepaaldelijk antwoord heeft geëischt, zoodat als bewezen is aangenomen, overeenkomstig de dagvaarding, dat de gerequireerde, een verdachte in den zin der wet, opzettelijk niet heeft voldaan aan het bevel of de vordering van den opsporingsambtenaar om haar naam aan hem op te geven;

O. dat de vraag of dit bevel of deze vordering, gelijk art. 184 Sr. eischt, krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, ontkennend moet worden beantwoord;

dat het eenige voorschrift, hetwelk hier in aanmerking kan komen, is art. 52 Sv., dat den opsporingsambtenaar uitdrukkelijk bevoegd verklaart den verdachte naar zijn naam, voornamen en woon- of verblijfplaats te vragen en hem daartoe staande te houden, doch in dat artikel niet wordt gesproken van bevelen of vorderen, maar.van vragen, hetgeen ten deze van groot gewicht is, daar het toch, indien bij de opstellers van dit wetsvoorschrift de gedachte had voorgezeten om het niet antwoorden of het weigeren van antwoord onder de sanctie van art. 184 Sr. te brengen, voor de hand had gelegen in het voorschrift ook de verplichting van den verdachte om op de hem gestelde vragen te antwoorden, op te nemen;

O. nog in het bijzonder wat de door het Hof voor de daaraan tegenovergestelde zienswijze aangevoerde gronden betreft:

dat 's-Hofs oordeel, dat artikel 52 voornoemd, indien daarin niet de wettelijke verplichting tot antwoorden ware begrepen, wel geheel ongeschreven had kunnen blijven — daargelaten de geringe kracht van zulk een argument voor de hier aan de orde zijnde beslissing — niet als juist kan worden beschouwd, daar art. 52 buiten twijfel stelt dat de opsporingsambtenaar bij zijne verrichtingen in dat artikel omschreven, waartoe ook het staande houden van den verdachte tot het vragen van genoemde gegevens behoort, is in de rechtmatige uitoefening zijner bediening;

dat ook de stelling dat van iemand, die naar zijn naam wordt gevraagd, niet wordt gevergd bewijsmateriaal tegen zichzelf te verschaffen, opgevat in dien zin, dat hij niet zichzelf behoeft te bezwaren, niet altijd opgaat, daar verdenking tegen een bij name bekend persoon kan bestaan en de ondervraagde, door het noemen van zijn naam, iets, dat tot dusver on-