Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 23 Mei 1921. Art. 207 W. v. Str.

Ook na de wet van 17 Juli 1911, Stbl. 215, is een getuige verplicht den eed af te leggen op de wijze zijner godsdienstige gezindheid.

De rechter moet zelfstandig onderzoeken, of volgens het kerkgenootschap van den getuige een vorm van eedsaflegging, afwijkende van den bij het eerste lid van art. 1 der wet voorgeschreven vorm, verplicht is, ongeacht of door den getuige op die verplichting een beroep is gedaan.

Bij een vervolging wegens meineed moet de strafrechter onderzoeken, of de verklaring is afgelegd onder eede, d.w.z. op de wijze bij de genoemde wet voorgeschreven.

R. K. requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 16en Dec. 1920, waarbij in hooger beroep, na vernietiging van een vonnis van de Arrond.-Rechtbank aldaar van 29 Sept. 1920, requirant ter zake van „meineed", met toepassing van art. 207 Strafr., is veroordeeld.

De adv.-gen. Mr. Tak heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

In eene voor de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam aanhangige procedure tot onder curateele stelling was de requirant van thans als getuige gedagvaard, in welke hoedanigheid hij in handen van den President, op diens uitnoodiging, onder het opsteken van de twee voorste vingers van de rechterhand en onder het uitspreken der woorden: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig", den eed aflegde van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Te voren had hij dien Voorzitter niet opmerkzaam gemaakt op het feit, dat hij Israëliet was, noch dat hij aan deze godsdienstige gezindheid den plicht ontleende om den eed op andere wijze te doen dan van hem gevorderd werd.

Dit beroep volgde evenwel later. Immers in het tegen hem voor dezelfde Rechtbank aangespannen geding wegens „Het opzettelijk eene valsche verklaring onder eede afleggen" voerde hij ter verdediging aan met ongedekten hoofde te hebben gezworen, hetgeen in strijd zou zijn met de leer zijner kerk en hij bouwde hierop de stelling, dat hij derhalve niet wegens meineed mocht worden gestraft.

De Rechtbank kon zich echter al evenmin als het Hof met dit betoog