Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereenigen en beiden spraken het schuldig uit, zij het dan ook op verschillende gronden.

Alleen de beslissing van den hoogeren rechter kan ons belang inboezemen, omdat daarbij niet enkel de aan appèl onderworpen uitspraak vernietigd, doch op geheel andere gronden het verweer verworpen werd.

Het Hof stelde zich op het standpunt, dat requirant, waar hij niet had doen blijken, dat hij enkel waarde aan den eed toekende, wanneer hij dien als Israëliet met gedekten hoofde aflegde, moest geacht worden te hebben gezworen, zooals de Wet van 17 Juli 1911, Stbl. 215, dit verlangt, waarom het hem, in verband met het bewezene der feiten en der schuld, bij arrest van 16 Dec jl. eene gevangenisstraf van één jaar toemat.

Hiertegen wordt bij de onderwerpelijke cassatievoorziening opgekomen.

Het derde middel, hetgeen de geëerde raadsman terecht hoofdschotel van zijn pleidooi noemde, daarbij tevens het vurig verlangen uitend, dat Uw Raad de beide andere zal kunnen terzijdestellen, luidt: „Schending, althans verkeerde toepassing van art. 207 Strafr., art. 107 B. R., junctis art. 200 van dat Wetboek, en art. 494 B. W., in verband met art. 1 der Wet van 17 Juli 1911, Stbl. 215, en art. 3, eerste lid, der Wet van 28 April 1916, Stbl. 174, doordat het Hof het verweer van requirant, dat hij niet een eed heeft afgelegd naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid en bijgevolg niet wegens meineed kan worden veroordeeld, heeft terzijde gesteld op de daaromtrent in het arrest opgenomen gronden en overwegingen."

Er is, ik wil dit gaarne openlijk bekennen, een oogenblik geweest, dat mij de meening van het Hof onjuist voorkwam en dat ook ik van oordeel was, dat het arrest streed met de beginselen, die aan de Wet van 17 Juli 1911, Stbl. 215, ten gronde liggen.

Wanneer men toch in het voorloopig verslag leest (Bijl. Hand. He Kamer 1910/1911, 138. 7, blz. 9): Waarom tegen de voorgestelde formule bezwaar wordt gemaakt, begreep men te minder, nu zij overeenkomt met hetgeen hier te lande gebruikelijk is en het artikel bovendien afwijking daarvan toelaat, in geval de godsdienstige gezindheid een anderen vorm voorschrijft", en de Memorie van Antwoord hieraan nog toevoegt (t.a.p., 138, 8, blz. 16): „Door de slotwoorden van het artikel, tenzij hij aan zijne godsdienstige gezindheid den plicht ontleent om dit op andere wijze te doen" zal ook in de toekomst bij den vorm van den eed in de eerste plaats moeten worden rekening gehouden met de leer van het kerkgenootschap, waartoe de getuige behoort", is de gevolgtrekking niet zoo dwaas, dat een getuige zweren moet volgens de leer zijner godsdienstige gezindheid en dat hij bij afwijking daarvan zich nimmer aan meineed kan schuldig maken.

Evenwel heeft mijne verdere studie van dit onderwerp mij van ongelijk overtuigd.