Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ik wil dus niet op wijziging aandringen. Ik geloof evenwel niet, dat het juist is te spreken van ontleenen van een plicht, en de Minister kan m. i. die uitdrukking alleen gebruiken, omdat hij werkelijk iets anders bedoelt dan een plicht. Tegen de bedoeling en de strekking van het laatste lid heb ik hoegenaamd geen bezwaar, indien ik namelijk de bedoeling goed begrijp. Ik begrijp haar zoo en dat klopt m. i. met hetgeen ik reeds heb voorgelezen uit de Memorie van Antwoord, dat de rechter in den regel de eedsaflegging volgens de wet zal vorderen, tenzij van hem verlangd wordt, dat hij den eed op een andere wijze laat afleggen, precies als in de Engelsche wet: „without qu est ion".

Deze afgevaardigde achtte dus beslist noodig een aan den rechter kenbaar gemaakten wensch tot het afleggen van den eed op andere wijze dan door de wet vooropgesteld, terwijl bij stilzwijgen daaromtrent de algemeene regel van art. 1 toepassing erlangt.

Hierop, alsmede op de overige tegenwerpingen van Mr. van Idsinga, dat de kring te nauw getrokken was in verband met de gebruikte terminologie en moest worden verwijd, antwoordde Mr. Regout (t.a.p. blz. 2228): „Thans kom ik tot het andere bezwaar van den geachten afgevaardigde uit Bodegraven. Hij vraagt of in het laatste lid inderdaad bedoeld is aan den getuige den plicht op te leggen om volgens zijn godsdienst af te leggen eed of belofte. Ik antwoord, dat ook hier niet anders wordt gedaan dan de bestaande praktijk bestendigen. Op dit oogenblik, om nu als voorbeeld slechts te nemen het steeds genoemde art. 161 Strafv., legt de getuige in een strafzaak naar de wijze van zijn godsdienstige gezindheid eed of belofte af. Over de vraag wat hij van beide af zal leggen heeft de rechter, zonder dat hij zich daaromtrent aan eenigen norm te houden heeft, de beslissing in handen. Dat zal natuurlijk gebeuren na een korte woordenwisseling, hierop neerkomende, dat de getuige, wanneer hem gevraagd wordt of hij den eed aflegt, hetgeen regel is, bijv. zal zeggen: ik ben doopsgezind, waarna hij wordt toegelaten tot het doen van de belofte. Zoo zal het blijven geschieden. Zijn et geschillen, heeft b.v. in het civiel geding een partij of in het strafgeding beklaagde er belang bij om aan dat onderzoek deel te nemen, dan zal dat ook in de toekomst gebeuren op geheel analoge wijze als tot heden, d.w.z. dat een partij de bevoegdheid heeft om hetzij door tusschenkomst van zijn raadsman, hetzij bij eigen monde, den voorzitter er op opmerkzaam te maken, dat bijv. een getuige Doopsgezind is, dat een getuige die Doopsgezind zegt te zijn het niet is, of dat een getuige volgens zijne godsdienstige gezindheid verplicht is op andere dan in den aanhef van art. 1 genoemde wijze den eed te doen. De rechter zal dan onderzoek doen en den getuige bewegen af te leggen wat hij volgens zijn godsdienstige gezindheid moet afleggen."

Mr. van Idsinga haastte zich dit kostbaar materiaal voor de toekomst vast te leggen met deze woorden (t.a.p. blz. 2231): „De hoofdzaak ligt voor mij echter in het slot en nu verheugt het mij te kunnen verklaren,