Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quaestie dacht, eenige malen uitging van de vooronderstelling, dat door den getuige zelf of een derde op het gebruik bij het kerkgenootschap, waartoe de getuige behoorde, zou zijn gewezen, doch hieruit hoogstens volgt, dat de Minister dit heeft beschouwd als het meest voorkomende geval, waarin een afwijking van de gewone wijze van eedsaflegging zich zal voordoen, doch geenszins dat dit het eenige geval is;

dat op grond van een en ander aangenomen moet worden, dat een rechter, te wiens overstaan een getuige zijne verklaring moet afleggen, geheel zelfstandig zal hebben te beoordeelen of volgens het kerkgenootschap van dien getuige een van den in het eerste lid van art. 1 van bovengenoemde wet voorgeschreven vorm van eedsaflegging afwijkende vorm verplicht is, ongeacht of door den getuige op die verplichting een beroep is gedaan;

dat hieruit echter niet volgt, dat deze beslissing ook bindend is voor den strafrechter bij de beoordeeling der vraag, of deze verklaring grond kan opleveren voor een veroordeeling krachtens art. 207 Strafr.;

dat immers, behoudens het bepaalde bij het derde lid van dat artikel, voor een veroordeeling wegens meineed noodig is, dat de verklaring is afgelegd onder eede, dat wil zeggen: op de wijze voorgeschreven bij de wet van 17 Juli 1911 (Stbl. no. 215) en dus de strafrechter zelfstandig moet onderzoeken of dit vereischte aanwezig is;

dat derhalve het Hof niet kon volstaan met het verweer van requirant, dat hij geen eed heeft afgelegd naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, omdat hij dit had gedaan met ongedekten hoofde, terwijl hij naar den ritus van zijn kerkgenootschap dit met gedekten hoofde had moeten doen, zonder onderzoek naar de juistheid er van, ter zijde te stellen, en dus, waar niet blijkt uit het arrest, dat het Hof naar den feitelijken grondslag van dat verweer een onderzoek heeft gedaan, dit arrest niet behoorlijk met redenen is omkleed, waardoor geschonden zijn de artt. 211 en 221, in verband met art. 239 Strafv., hetgeen ingevolge art. 223 van dat Wetboek nietigheid ten gevolge moet hebben;

Vernietigt het in deze zaak gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 Dec 1920;

Rechtdoende krachtens art. 106 R. O.:

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, om op het bestaande hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

W. 10729.

ART. 225 W. v. STR. Zie H. R. 8 Maart 1920, No. 46.