Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat beklaagde omstreeks 2 Febr. 1912 in een in het te Arnhem uitgegeven en aldaar en elders in Nederland verspreide dagblad „de Nieuwe Arnhemsche Courant" ingezonden stuk, dat in het nummer van dien dag is opgenomen, opzettelijk de eer en goeden naam heeft aangerand van de leden van den Raad van Commissarissen der eerste Nederlandsche Maatschappij tot verzekering van Risico in Loterijen (bij afkorting Lotisico genaamd), zijnde de negen ter dagvaarding genoemde personen, door met het kenlijk doel, daaraan ruchtbaarheid te geven, die personen ten laste te leggen, dat zij in strijd met de waarheid en valschelijk in een in verschillende bladen als advertentie geplaatste annonce verklaren „dat Zij in hunne gewone maandelijksche vergadering van 30 Jan. 1912 nogmaals de activa en diverse bescheiden van Lotisico hebben nagegaan en geverifieerd en niet alleen alles in volkomen orde bevonden hebben, doch ook een belangrijk actief meer dan de verplichtingen der vennootschap vorderen", waarna beklaagde die verklaring in zijn ingezonden stuk bestempelt als „Eene zoo groote brutaliteit, dat hij het publiek daarover nader wil inlichten", daarna eene opsomming geeft van de effecten, die „aan de door Lotisico opgegeven activa ontbraken" en besluit met de zinsnede „waar zooveel, ontzettend veel, bleek te ontbreken kan van het in orde bevinden geen sprake zijn. Ik betwijfel dan ook sterk of de bedoelde annonce met goedkeuring en medeweten van alle daaronder vermelde personen is geplaatst, te meer daar de meesten dier met name vermelde personen bij het onderzoek niet eens tegenwoordig waren", zoomede beklaagdes schuld daaraan, waarop dit feit is gequalificeerd en requirant deswege is veroordeeld zooals hier boven is vermeld;

O. dat het cassatiemiddel, zooals het is geformuleerd, zijn feitelijken grondslag mist, daar onder de aanwijzingen waardoor, in onderling verband en samenhang genomen, bewezen is verklaard hetgeen hierboven als bewezen is vermeld niet voorkomt „een briefje van de pretens beleedigden afkomstig", waarmede gelijk uit het pleidooi bleek bedoeld is de tot den Officier van Justitie te Arnhem gerichte schriftelijke klacht waarin de ter dagvaarding vermelde Commissarissen van Lotisico met uitzondering van Mr. D., aan dien Ambtenaar verzoeken eene strafvervolging te willen instellen;

dat intusschen, blijkens het pleidooi, de grief van requirant tegen het bestreden arrest niet zoozeer is, dat acht zou zijn geslagen op „het briefje van de pretens beleedigden afkomstig" dan wèl, dat als bewezen is aangenomen, dat hij opzettelijk de eer der in de dagvaarding met name genoemde personen zou hebben aangerand, ofschoon niet is gebleken, dat die personen zich werkelijk in hun eer gekrenkt zouden hebben gevoeld, iets wat trouwens alleen bewezen zou kunnen worden door een verklaring van ieder dier personen als getuige ter terechtzitting;

dat echter ook aldus opgevat het middel niet opgaat, daar in art. 261 Strafr., onder de elementen van smaadschrift wèl is opgenomen, dat