Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzettelijk iemands eer is aangerand, maar geenszins van zoodanige aanranding alleen dan sprake kan zijn, wanneer de beleedigde zich door hetgeen hem ten laste wordt gelegd in zijn eergevoel acht aangerand;

dat toch zoodanige aanranding der eer zeer goed aanwezig kan zijn, ook al gevoelt zich de beleedigde volstrekt niet beleedigd, omdat gebezigde uitdrukkingen iemands eer in de oogen van anderen kunnen verminderen onafhankelijk van de subjectieve gemoedsgesteldheid van den beleedigde;

dat mitsdien het middel niet gegrond is;

Verwerpt het beroep.

W. 9434.

75 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 21 April 1902.

Art. 266 W. v. Str.

Objectief vereischte van alle beleediging is eene uitdrukking, waardoor iemands eergevoel kan worden gekwetst, of in de oogen van anderen iemands eer kan worden verminderd, en hij alzoo in zijn goeden naam kan worden aangerand.

A. M. Z. en H. W. D. zijn requiranten van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 Jan. 1902. waarbij is bevestigd een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Zutphen van 13 Nov. 1901, bij welk vonnis zij zijn schuldig verklaard aan „eenvoudige beleediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening zijner bediening", en te dier zake, met toepassing van de artt, 266 en 267 Strafrecht, veroordeeld ieder tot eene gevangenisstraf van zeven dagen.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens de reqq. voorgesteld bij pleidooi;

Schending door verkeerde toepassing van art. 267 in verband met art. 266 Strafrecht, door te beslissen, dat het woord „kraai" voor een ambtenaar beleedigend is in den zin der wet;

Overwegende dat de requiranten waren gedagvaard ter zake: „dat zij op den 4den Oct. 1901 te Olst den aldaar op den openbaren weg surveilleerenden rijksveldwachter-jachtopziener H. W. L., opzettelijk hebben beleedigd door dezen opzettelijk de voor dien ambtenaar beleedigende woorden „kraai, kraai" toe te roepen";

17